Toch vorderbaar en inbaar

19 maart 2019

De Hoge Raad is het niet eens met de conclusie van A-G Niessen dat het verschil tussen het brutoloon en nettoloon niet ‘vorderbaar en inbaar’ is. Het middel van de directeur kan niet tot cassatie leiden en de Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Een directeur is enig aandeelhouder in een bv. Over 2006 tot en met 2010 bedraagt het met de bv overeengekomen loon € 99.000. De bv betaalt het daarmee corresponderende nettoloon aan de directeur uit. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) verrekent de directeur de loonheffing als voorheffing. De bv draagt de over het loon verschuldigde loonheffing niet af aan de Belastingdienst en is dat ook niet van plan. Hof Den Bosch gaat er daarom van uit dat de bv geen loonheffing heeft ingehouden. De directeur is niet te goeder trouw. In cassatie is het oordeel van het hof niet bestreden en staat daarom vast. De bv heeft in 2007 tot en met 2010 een vordering in rekening-courant op de directeur. De inspecteur legt navorderingsaanslagen ib/pvv over 2006 tot en met 2010 op over het verschil tussen het brutoloon en het (uitbetaalde) nettoloon. Het hof verklaart het hoger beroep tegen de navorderingsaanslagen ongegrond. De Hoge Raad oordeelt dat de loonheffing, die de werkgever inhoudt, door de werknemer als loon wordt genoten. Als inhouding achterwege blijft, wordt het loon niet genoten en kan er ook geen verrekening in de ib/pvv plaatsvinden, tenzij dat bedrag op een andere manier aan de werknemer ten goede is gekomen. De inspecteur heeft hiervoor de bewijslast. Voor het antwoord op de vraag of de directeur het verschil tussen het brutoloon en het nettoloon (hierna: het verschil) heeft genoten, verwijst de Hoge Raad de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden. Dat hof oordeelt dat het verschil voor de directeur vorderbaar was, omdat het tot het overeengekomen loon behoort. Ondanks dat de bv gerechtigd was het verschil in te houden als loonheffing, staat vast dat zij dat niet heeft gedaan. Daarom is het bedrag vorderbaar. Het loon is inbaar wanneer de schuldenaar het loon, op verzoek van de schuldeiser, onverwijld betaalt. Volgens het hof is hiermee gelijk te stellen de situatie dat de werknemer zijn loonvordering kan verrekenen met een schuld aan zijn werkgever. In 2007 was de rekening-courantschuld van de directeur dermate hoog dat hij zijn vordering over 2006 en 2007 daarmee kon verrekenen. Hierdoor is in 2007 het verschil vorderbaar en inbaar. In 2008, 2009 en 2010 was dat niet het geval en de inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bv over voldoende vermogen beschikte om het verschil aan de directeur uit te betalen. In deze jaren is daarom niet aannemelijk dat het verschil inbaar was. Volgens het hof wordt het verschil ook niet rentedragend door de mogelijkheid dat zij in rekening-courant worden bijgeschreven, wanneer dit niet werkelijk plaatsvindt. Ten slotte oordeelt het hof dat de omstandigheid dat een werknemer alleen op grond van zijn aandeelhouderschap zijn recht op loon prijsgeeft, niet tot gevolg heeft dat hij het loon door verrekening (als informele kapitaalstorting) heeft genoten. Het hof verklaart het hoger beroep tegen de navorderingsaanslagen over 2006 en 2007 ongegrond en vermindert de navorderingsaanslagen over 2008 tot en met 2010 met de rekening-courantschuld over die jaren. De directeur tekent opnieuw cassatie aan. Het hof heeft volgens hem ten onrechte geoordeeld dat de mogelijkheid om te verrekenen onder ‘vorderbaar en inbaar’ in de zin van de Wet IB 2001 valt en als dat wel het geval is heeft het hof ten onrechte vanuit de positie van de directeur als schuldeiser beoordeeld of verrekening mogelijk is. A-G Niessen leidt uit de wetsgeschiedenis af dat het begrip ‘betaling’ ziet op de vier directe vormen van genieten, namelijk ‘ontvangen’, ‘verrekend’, ‘ter beschikking gesteld’ en ‘rentedragend geworden’. Het Burgerlijk Wetboek staat echter de verrekening van de loonvordering in de weg, want de bevoegdheid tot verrekening ligt niet bij de werknemer, maar bij de werkgever en is beperkt tot een aantal gevallen die hier niet aan de orde zijn. De A-G concludeert dat het middel van de directeur slaagt. Het verschil tussen het brutoloon en nettoloon is niet ‘vorderbaar en inbaar’. De Hoge Raad beslist echter dat het middel van de directeur niet tot cassatie kan leiden en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Vaststaat, met dit arrest van de Hoge Raad, dat mogelijkheid tot verrekening onder ‘vorderbaar en inbaar’ in de zin van de Wet IB 2001 en dus ook in de zin van de Wet LB 1964 valt.

Wet: art. 3.146 Wet IB 2001 , art. 13a Wet LB 1964
Jurisprudentie: HR 15-3-2019, nr. 17/04336, (ECLI:NL:HR:2019:364), A-G Niessen 14-12-2018, nr. 17/04336, (ECLI:NL:PHR:2018:1381), Hof Arnhem-Leeuwarden 5-9-2017, nr. 16/01337, (ECLI:NL:GHARL:2017:7796), HR 28-10-2016, nr. 15/05890, (ECLI:NL:HR:2016:2427), Hof Den Bosch 13-11-2015, nrs. 14/01009 tot en met 14/01013, (ECLI:NL:GHSHE:2015:4526), Rb. Zeeland-West-Brabant 12-9-2014, nrs. AWB 12/6248 en AWB 13/4100 tot en met 13/4103 (ECLI:NL:RBZWB:2014:9445)
Meer info: Vorderbaar en inbaar (18-02-2019)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld