Gebruikelijk loon kan hoger zijn

12 maart 2019

Daar het gebruikelijk loon van een dga al in meerdere jaren ter discussie heeft gestaan en de werkzaamheden niet zijn gewijzigd, mag de inspecteur zijn schatting voor 2010 en 2011 baseren op het bedrag dat in 2009 is vastgesteld.

Een man is enig aandeelhouder van verschillende vennootschappen. Voor de jaren 2010 en 2011 is in geschil welk (fictieve) loon moet worden verloond voor twee vennootschappen waarin de man een indirect belang houdt. Volgens de inspecteur moet per jaar voor de ene vennootschap worden uitgegaan van € 300.000 en voor de andere vennootschap van € 41.000, het normbedrag van de gebruikelijk-loonregeling. De rechtbank is van oordeel dat de man ook in de jaren 2010 en 2011 aanzienlijke werkzaamheden heeft verricht voor de vennootschappen. Wat de hoogte van de vergoeding betreft, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een redelijke schatting. Dit mede in het licht van eerdere uitspraken over de jaren 2001 tot en met 2005 en over het jaar 2009. Daarbij is ook van belang dat de Hoge Raad als uitgangspunt heeft genomen dat in concernsituaties een loon per dienstbetrekking heeft te gelden. Als het salaris van de houder van een aanmerkelijk belang van de tot een concern behorende vennootschap mede strekt tot beloning van werkzaamheden die hij heeft verricht voor een andere concernvennootschap, zal de in dat salaris begrepen beloning voor die werkzaamheden in aanmerking moeten worden genomen bij de toepassing van de gebruikelijk-loonregeling ten aanzien van de arbeidsverhouding tot die andere concernvennootschap. Dit betekent dat bij een aanmerkelijk belang in meer vennootschappen waarvoor werkzaamheden worden verricht het totale gebruikelijke loon op een hoger bedrag dan € 41.000 kan worden gesteld, maar niet noodzakelijk gelijk is aan het aantal vennootschappen vermenigvuldigd met € 41.000. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur voor 2010 en 2011 bij zijn schatting niet heeft hoeven uitgaan van een lager bedrag dan voor 2009 is vastgesteld.

Met ingang van 2015 is de gebruikelijk-loonregeling op verschillende punten aangepast. Enkele kernpunten die in deze procedure aan de orde worden gesteld, zijn echter nog actueel. Het gaat om het uitgangspunt dat de wetgever ook in 'concernsituaties' een toepassing van de gebruikelijk-loonregeling 'per dienstbetrekking' voor ogen heeft gestaan. Het is met dat uitgangspunt in overeenstemming om per concern uit te gaan van één fictief loon dat op holdingniveau wordt vastgesteld voor alle tot het concern behorende vennootschappen. Het ligt overigens voor de hand dat het te verlonen loon voor alle vennootschappen tezamen, niet automatisch gelijk is aan het aantal concernvennootschappen vermenigvuldigd met het normbedrag. Een inhoudingsplichtige heeft immers de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager ligt dan het normbedrag.

Jurisprudentie: Rechtbank Gelderland, 4-3-2019, nr. AWB-17_361 (gepubl. 7-3-2019) (ECLI:NL:RBGEL:2019:894); HR 11-11-2005, nr. 40 421 (ECLI:NL:HR:2005:AU6018)
Wet: art. 3.81 Wet IB 2001 , art. 12a Wet LB 1964 (Tekst 2010)

Loonzaken/Laura Jentink