Formele arbeidsovereenkomst geeft doorslag

05 maart 2019

Daar belanghebbende als eigenaresse van een schoonmaakbedrijf bij het Handelsregister staat ingeschreven en de werknemers een arbeidsovereenkomst hebben gesloten met de eenmanszaak, is de eigenaresse de inhoudingsplichtige. Dat de onderneming in feite niet door haar wordt gedreven is niet van belang.

De Belastingdienst constateert bij een boekenonderzoek over 2008 tot en met juni 2009 dat een werkgever, die schoonmaak- en inpakwerkzaamheden verricht substantieel te weinig loonheffingen heeft aangegeven. De Belastingdienst legt naheffingsaanslagen op. In geschil is of belanghebbende terecht is aangemerkt als inhoudingsplichtige. Zij stelt dat zij geen inhoudingsplichtige is; haar echtgenoot is inhoudingsplichtige. Hoewel de onderneming op haar naam stond, werd deze voor rekening en risico van haar echtgenoot gedreven. Hij was in desbetreffende jaren verantwoordelijk voor het exploiteren en runnen van het schoonmaakbedrijf. Hiertoe overlegt belanghebbende enkele verklaringen van voormalige werknemers van het bedrijf en enkele overeenkomsten met opdrachtgevers over de schoonmaakwerkzaamheden, die zijn ondertekend door de echtgenoot. Hieruit blijkt, volgens belanghebbende, dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen de echtgenoot en de werknemers. Niet in geschil is namelijk dat de werknemers arbeid hebben verricht en dat zij daarvoor loon hebben ontvangen. De rechtbank is het niet met belanghebbende eens. Hoewel de echtgenoot heeft ondertekend, staan de overeenkomsten op naam van de onderneming, die op haar naam stond. Ook uit de verklaringen van werknemers dat de echtgenoot het aanspreekpunt van de werknemers was, volgt niet dat de echtgenoot bevoegd was de werknemers bindende aanwijzingen te geven over het te verrichten werk. De arbeidsovereenkomsten zijn gesloten met de onderneming op naam van belanghebbende. De rechtbank oordeelt daarom dat er geen sprake was van een gezagsverhouding en dus geen arbeidsovereenkomst tussen de werknemers en de echtgenoot. De echtgenoot is daarmee niet aan te merken als inhoudingsplichtige. Temeer omdat belanghebbende als eigenaar van de eenmanszaak stond ingeschreven in het Handelsregister, de Belastingdienst haar een omzetbelastingnummer heeft toegekend en alle aangiften loonheffingen en omzetbelasting door haar zijn ondertekend en ingediend. In hoger beroep stelt belanghebbende dat zij door haar echtgenoot gebruikt is als ‘stroman’ om zijn schoonmaakbedrijf te exploiteren naast zijn dienstverband, in verband met een concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst. Hij en zijn zoon hebben het bedrijf gerund voor zijn rekening en risico, waarbij de dagelijkse leiding was uitbesteed aan de zoon, vanwege het dienstverband van de echtgenoot. In 2009 heeft hij de exploitatie van het bedrijf volledig in handen genomen. Het betoog van belanghebbende overtuigt het hof niet. Zij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat de situatie in werkelijkheid anders was en dat zij slechts als ‘stroman’ fungeerde. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Maatgevend voor de inhoudingsplicht is het antwoord op de vraag of er met de werknemers sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De later opgemaakte verklaringen van voormalige werknemers bleken niet voldoende om aan te nemen dat er een gezagsverhouding tussen de echtgenoot en de werknemers bestond. De rechtbank grijpt daarom terug naar de gezagsverhouding in de formele arbeidsovereenkomst, die tussen de werknemers en het schoonmaakbedrijf op naam van belanghebbende.

Wet: art. 1 en art. 6 lid 1 aanhef en onder a Wet LB 1964

Jurisprudentie: Hof Amsterdam 8-1-2019, nrs. 18/00271, 18/00272 en 18/00273 (gepubl. 27-2-2019) (ECLI:NL:GHAMS:2019:93), Rb. Noord-Holland 9-4-2018, nrs. HAA 17/2421 tot en met HAA 17/2423

Loonzaken/Jacqueline Nietveld