Bijtelling kan niet worden gesplitst

26 februari 2019

Om de bijtelling voor een auto van de zaak aan meerdere werkgevers te kunnen toerekenen, moet sprake zijn van meerdere arbeidsverhoudingen. Nu niet duidelijk is of er bij de buitenlandse werkgever sprake is van een arbeidsverhouding, is de gehele bijtelling terecht bij belastingplichtige in aanmerking genomen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een in Nederland wonende directeur enig aandeelhouder (dga) van een Nederlandse bv in 2014 een gebruikelijk loon van ten minste € 44.000 geniet. Dat de dga tevens werkzaamheden verricht voor een Duitse vennootschap, is, zonder nadere onderbouwing, geen reden om van een lager loon uit te gaan. Aan de dga is in 2014 ook een auto ter beschikking gesteld. Een rittenadministratie ontbreekt. De auto staat op naam van een dochtervennootschap van de bv. Indien een werknemer meerdere werkgevers heeft die gevestigd zijn in verschillende landen en hij in verband met het verrichten van zijn werkzaamheden gebruik maakt van een auto die hem door zijn werkgevers – dan wel door één van hen, maar mede namens de ander – ter beschikking is gesteld, heeft het volgende te gelden. Het voordeel dat die werknemer heeft door het gebruik van die auto voor privédoeleinden, dient te worden toegerekend aan elk van de desbetreffende arbeidsverhoudingen. Als maatstaf voor die toerekening dient het bruto salaris dat de werknemer van beide werkgevers geniet, met een uitzondering voor bijzondere omstandigheden. De enkele omstandigheid dat de dga als ‘Geschäftsführer’ betrokken is bij de Duitse vennootschap is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat de auto mede namens de Duitse vennootschap ter beschikking is gesteld. Dat een overeenkomst van terbeschikkingstelling (mede) namens de Duitse vennootschap is gesloten of een verdeling van de kosten van de auto tussen de Duitse vennootschap en de overige vennootschappen is overeengekomen is ook niet gesteld of gebleken. Voor (gedeeltelijke) toerekening van het voordeel van het privégebruik van de auto aan de Duitse vennootschap is dan ook geen plaats. 

De uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant wekt de indruk dat zowel een fictief loon van € 44.000 als een werkelijk genoten loon ter hoogte van de bijtelling vanwege privé gebruik van de auto in de heffing is betrokken. Dat zou te veel van het goede zijn. De gebruikelijkloonregeling bepaalt welk loon ten minste in de heffing betrokken dient te worden. Indien een loon is genoten lager dan het gebruikelijke loon, dient het verschil tussen die twee als fictief loon in de heffing te worden betrokken.

Wet: art. 12a en art. 13bis Wet LB 1964 (tekst 2017)
Jurisprudentie: Rb. Zeeland-West-Brabant 9-11-2018, nr. 17/3316 (gepubl. 22-2-2019) (ECLI:NL:RBZWB:2018:6413), HR 3-12-2004, nr. 39 787 (ECLI:NL:HR:2004:AR6885)

Loonzaken/Laura Jentink