Praktijkovereenkomsten en afdrachtvermindering

26 februari 2019

De Hoge Raad heeft in vijf zaken arrest gewezen over de afdrachtvermindering onderwijs. In alle vijf de zaken stond de in de praktijkovereenkomst vermelde opleiding centraal. Doordat voor werknemers die een beroepspraktijkvorming volgen onder voorwaarden de lage sectorpremie kan worden toegepast, blijft het voor de loonheffingen belangrijk om te weten wanneer sprake is van het volgen van beroepspraktijkvorming

Afgelopen week zijn vijf uitspraken van de Hoge Raad over de afdrachtvermindering onderwijs gepubliceerd. Van die uitspraken heeft de staatssecretaris van Financiën drie zaken gewonnen en twee zaken verloren.

Twee gewonnen procedures betroffen de mbo-opleidingen Commercieel Medewerker Marketing en Communicatie (CMMC) en de beroepsopleiding Commercieel Medewerker Binnendienst (CMB) op niveau 4. Het belangrijkste bezwaar van de inspecteur tegen het claimen van afdrachtvermindering voor deze opleidingen: op de praktijkovereenkomsten (POK’s) van de desbetreffende werknemers is niet de gevolgde beroepspraktijkvorming vermeld, omdat daarop de gehele beroepsopleiding is vermeld terwijl slechts drie deelopleidingen zijn gevolgd. Verder voerde de inspecteur aan dat het in de POK’s vermelde aantal uren (800) niet is te herleiden tot de gevolgde deelcertificaten. De onderwijs- en examenregeling van Vak & Werk School vermeldt voor de onderscheidenlijk drie deelkwalificaties een aantal normatieve uren van 945. Ook is een totaal aantal uren vermeld, maar niet de verdeling daarvan over de kalenderjaren. Volgens het hof staat deze combinatie van onvolkomenheden een doelmatige controle door de Belastingdienst in de weg en bestaat daarom geen recht op de afdrachtvermindering. De klachten tegen dit oordeel kunnen volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden.

De derde door de staatssecretaris gewonnen procedure betreft mbo-opleidingen ten behoeve van de timmerindustrie op niveau 2, 3 en 4. In deze procedure stond de vraag centraal of hetgeen de werknemers hadden gevolgd, het programma ‘slimmer produceren’ overeenkwam met de beroepspraktijkvorming van de opleiding. Het hof concludeerde dat de inhoudingsplichtige met geen enkel overgelegd document of op welke andere wijze dan ook aannemelijk gemaakt heeft dat de training ‘slimmer produceren’ onderdeel uitmaakt van de opleidingen. Volgens het hof kon reeds om die reden niet gezegd worden dat de werknemers - zelfs als ze deelgenomen hebben aan de training Slimmer produceren - de opleidingen hebben ‘gevolgd’. De inhoudingsplichtige heeft volgens het hof geen recht op de afdrachtvermindering. Ook in dit geval kunnen volgens de Hoge Raad de klachten tegen dit oordeel niet tot cassatie leiden.

De staatssecretaris heeft twee procedures over mbo-opleidingen op niveau 1 verloren. Uit de conclusie van de Advocaat-Generaal is af te leiden dat ook in deze procedures op de POK’s van de desbetreffende werknemers de hele opleiding was vermeld, maar dat niet de hele opleiding gevolgd zou worden. In de door de inhoudingsplichtige aangeleverde deelnemersdossiers bevinden zich vastleggingen van (aanwezigheid bij) lessen en teambuildingactiviteiten, ‘student reports’, diverse (niet-erkende) certificaten, evaluaties van gevolgde lessen, verslagen van praktijkopdrachten en lessen en vastleggingen van beoordelingsgesprekken ter zake waarvan de inhoudingsplichtige, door de inspecteur onvoldoende weersproken, heeft gesteld dat daarin tevens de vervulde praktijkopdrachten aan de orde kwamen. Uit deze documenten blijkt naar het oordeel van het Hof van een aansluiting tussen genoemde lessen, teambuildingactiviteiten en praktijkopdrachten en het opleidingsprogramma/de studiewijzer en Handleiding Beroepspraktijkvorming. Op grond van de overgelegde stukken acht het hof aannemelijk dat de door de deelnemers gevolgde beroepspraktijkvorming onderdeel heeft uitgemaakt van de opleidingen. De Hoge Raad volgt deze uitleg.

De uitspraken ten aanzien van de afdrachtvermindering onderwijs hadden lange tijd nog slechts belang voor lopende procedures over dit onderwerp. Met de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is daar verandering in gekomen. Voor werknemers die een beroepspraktijkopleiding (bedoeld zal zijn de beroepspraktijkvorming) van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding volgen, kan onder voorwaarden de lage sectorpremie worden toegepast. Daarmee blijft het voor de loonheffingen belangrijk om te weten wanneer sprake is van het volgen van beroepspraktijkvorming. Deze uitspraken van de Hoge Raad leren in ieder geval dat de Hoge Raad vasthoudt aan de eerder uitgezette lijnen. De feitelijke oordelen van de Hoven ten aanzien van het voldoen aan de formele eisen en het volgen van beroepspraktijkvorming houden in cassatie stand.

Wet: art. 14, lid 1, aanhef en onderdeel a WVA (tekst 2013), art. 7.2.2, lid 1, onderdelen a tot en met e, art. 7.2.8, art. 7.2.9 WEB
Jurisprudentie: HR 22-02-2019, nr. 18/02787 (ECLI:NL:HR:2019:280), HR 22-02-2019, nr. 18/02787 (ECLI:NL:HR:2019:279), HR 22-02-2019, nr. 18/02344 (ECLI:NL:HR:2019:278), HR 22-02-2019, nr. 18/00356 (ECLI:NL:HR:2019:136), HR 22-02-2019, nr. 18/00357 (ECLI:NL:HR:2019:277)
Bron: Eerste Kamer 2018-2019, 35 074, nr. A

Loonzaken/Laura Jentink