Vorderbaar en inbaar

18 februari 2019

Volgens advocaat-generaal Niessen moet het begrip ‘inbaar’ ruim moet worden ingevuld. Hieronder is in principe ook de mogelijkheid tot verrekening begrepen is. De bevoegdheid tot verrekening van loon ligt echter niet bij de werknemer maar bij de werkgever

Een directeur en enig aandeelhouder (dga) is in de jaren 2006 tot en met 2010 met zijn bv een jaarloon van € 99.000 overeengekomen. De bv heeft geen loonheffing ingehouden en slechts het met het brutoloon corresponderende nettoloon aan de dga betaald. De dga heeft bij zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 tot en met 2010 het overeengekomen brutoloon als loon vermeld en het ‘verschil’ tussen het brutoloon en de uitbetaalde bedragen als ingehouden en te verrekenen loonbelasting/premie volksverzekeringen opgevoerd. De inspecteur wil jaarlijks het overeengekomen brutoloon ad € 99.000 in aanmerking nemen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zonder rekening te houden met het bedrag dat als voorheffing is opgenomen. Het verschil tussen het overeengekomen brutoloon en het uitbetaalde nettoloon kan in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken als dit verschil is ontvangen, verrekend, ter beschikking is gesteld, rentedragend is geworden of vorderbaar en inbaar is geworden. Hof Arnhem-Leeuwarden meende dat het verschil in de jaren 2006 en 2007 vorderbaar en inbaar was omdat het verschil verrekenbaar was met een rekening-courantvordering op de dga. Daarvan was geen sprake in de jaren 2008 tot en met 2010.

In cassatie staat vast dat het verschil tussen het brutoloon en het nettoloon voor de dga vorderbaar is. Het geschil is daarom beperkt tot de vraag of het verschil tussen het brutoloon en het nettoloon inbaar is. De A-G meent dat het begrip ‘inbaar’ ruim moet worden ingevuld. Dit betekent dat onder ‘inbaar in principe ook de mogelijkheid tot verrekening begrepen is. De bevoegdheid tot verrekening van loon ligt echter niet bij de werknemer maar bij de werkgever en in algemene zin ligt de bevoegdheid tot verrekening bij de schuldenaar. Daarbij geldt dat de bevoegdheid van een werkgever tot verrekening van een loonschuld is beperkt tot een aantal gevallen die in de onderhavige zaak niet aan de orde zijn. Dit betekent dat het de werkgever in casu niet is toegestaan te verrekenen. Een werknemer kan zich achteraf neerleggen bij de omstandigheid dat verrekening heeft plaatsgevonden in strijd met de beperkte mogelijkheden tot verrekening. Daarvan is in deze zaak echter niets gebleken. Het oordeel dat de werknemer voldoening kan bewerkstelligen door zijn loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft, is daarom volgens de A-G onjuist. De niet ingehouden loonheffing kan daarom niet in de heffing worden betrokken.

Loon moet op het genietingsmoment in de heffing worden betrokken. Dat is het moment waarop dat loon wordt betaald, verrekend, ter beschikking wordt gesteld, rentedragend wordt of vorderbaar en inbaar is. Uit deze procedure blijkt dat verrekening van een loonbestanddeel ook van belang kan zijn bij de beoordeling of loon inbaar is en dat het de werkgever is die in de hand heeft of loon wordt verrekend.

Wet: art. 13a Wet LB 1964 ; art. 3.146 Wet IB 2001 ; art. 7:632 lid 1 BW ; art. 6:127 BW
Jurisprudentie: Conclusie A-G 14-12-2018, 17/04336 (ECLI:NL:PHR:2018:1381)

Loonzaken/Laura Jentink