Geen S&O-verklaring voor persoonlijke holding hoofd R&D

13 februari 2019

Wordt een S&O-verklaring aangevraagd voor een groep inhoudingsplichtigen die geen fiscale eenheid vormen, dan worden de werkzaamheden van iedere deelnemende S&O-inhoudingsplichtige afzonderlijk beoordeeld.

De persoonlijke holdings van drie aandeelhouders en een werkmaatschappij hebben in 2016 gezamenlijk een S&O-verklaring aangevraagd voor zes projecten. De projecten hebben betrekking op de ontwikkeling van onder andere gereedschappen voor de montage en demontage van lagers en aandrijfcomponenten en technische innovatie. Een van de vennootschappen is de persoonlijke holdings van de managing director, tevens hoofd Research & Development, die als motor geldt achter de innovatie bij de werk-bv. Voor diens werkzaamheden brengt de holding een management fee in rekening. De drie holdings vormen geen fiscale eenheid met de werkmaatschappij. Wel werken de medewerkers van de werkmaatschappij en de drie aandeelhouders samen als één team aan de totale technische ontwikkeling.

Alleen de S&O-verklaring voor de werkmaatschappij wordt toegewezen. Daar de vennootschappen geen fiscale eenheid vormen, worden de werkzaamheden van iedere deelnemende S&O-inhoudingsplichtige afzonderlijk beoordeeld. Volgens het ministerie blijkt uit de verstrekte informatie niet de eigen werkzaamheden van de persoonlijke holding van de managing director en de eigen technische inbreng binnen de projecten in relatie tot het aantal gerealiseerde uren.

In beroep stelt de persoonlijke holding dat duidelijk is aangevoerd welke S&O-activiteiten door de managing director worden uitgevoerd en wat de relatie van zijn werkzaamheden is met de technische knelpunten en oplossingsrichtingen. Dat de holding zelf verantwoordelijk is voor haar eigen S&O-werkzaamheden betekent volgens haar niet dat deze niet mogen plaatsvinden bij de werkmaatschappij en met de gereedschappen of licenties van die werkmaatschappij.

Volgens het College van beroep bedrijfsleven heeft de minister van Economische Zaken echter terecht de S&O-verklaring voor de persoonlijke holding van de managing director afgewezen. Uit het wettelijk systeem volgt dat de persoonlijke holding, als aanvrager om een S&O-verklaring, zelf S&O-werkzaamheden moet (laten) verrichten om voor een S&O-verklaring in aanmerking te komen. Indien zij samenwerkt in een project moet haar eigen werk als S&O kunnen worden aangemerkt.

De managing director heeft bij de werkmaatschappij een leidinggevende functie, die ook werkzaamheden omvat die geen S&O betreffen. Diens holding moet daarom in voldoende mate specificeren op welke werkzaamheden de aanvraag betrekking heeft. Die werkzaamheden dienen direct en uitsluitend te zijn gericht op de ontwikkeling van voor de holding technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten. In dat bewijs is de persoonlijke holding volgens het College niet geslaagd. In plaats van concrete informatie is – na verzoek om meer informatie door het ministerie – slechts met een algemene beschrijving van de werkzaamheden geantwoord, zonder nader aan te geven welke technische knelpunten door de holding moesten worden opgelost. Ook ziet de informatie over de technische nieuwheid van de projecten, de technische problemen en oplossingsrichtingen op de werkzaamheden van de verschillende vennootschappen zonder een onderscheid te maken naar ieders aandeel.

Wet: art. 1 , 22 , 23 WVA ; art. 2 Regeling S&O Afdrachtvermindering
Bron: CBB 5-02-2019, 17/360 (ECLI:NL:CBB:2019:50)