Onvoldoende verband tussen strafrechtelijke en fiscale procedure

06 februari 2019

In de fiscale procedure inzake een vermoedelijke schijnconstructie met buitenlandse werknemers in een VOF-constructie verweert een ondernemer zich met zijn vrijspraak in de strafzaak, die naar aanleiding van het zelfde onderzoek was ingesteld. Volgens Rechtbank Gelderland was er in dit geval voor een beroep op de onschuldpresumptie echter te weinig verband tussen de strafrechtelijke en fiscale procedure.

Aan een ondernemer, een eenmanszaak in de afbouwbranche, is over de jaren 2010 tot en met 2013 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd, vermeerderd met heffings- en belastingrente. De naheffingsaanslag had betrekking op de werkzaamheden van vijf Bulgaarse stukadoors die sinds 2010 in VOF-verband werkzaamheden voor de ondernemer verrichtten.

Na een melding bij het Meldpunt Mededingingen had de Inspectie SZW, in samenwerking met de FIOD/Belastingdienst, een onderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet Minimumloon en de Wet arbeid vreemdelingen. Dit resulteerde in een strafrechtelijke vervolging van de ondernemer voor het valselijk opmaken van facturen. Een vervolging wegens opzettelijk onjuiste of onvolledige aangifte werd geseponeerd. Wel werd naar aanleiding van de bevindingen in de onderzoeken de naheffingsaanslag opgelegd.

In de strafzaak werd de ondernemer vrijgesproken. Hij stelde dat hij de Bulgaarse stukadoors slechts geholpen had met het oprichten van een VOF, zodat zij als zelfstandigen legaal konden werken. Van valselijk opgemaakte facturen om een schijnconstructie te onderbouwen was dus geen sprake. Volgens de strafrechter werd dit standpunt onvoldoende door de inhoud van het dossier weersproken. Ook de Officier van Justitie oordeelde kennelijk dat hij geen sterke zaak had, want het hoger beroep werd op 8 augustus 2017 ingetrokken.

Bij de belastingrechter stelt de ondernemer zich op standpunt dat de opgelegde naheffingsaanslag in strijd is met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Ook is hij van mening dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de belastingrechter niet is gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een strafzaak. De belastingrechter moet zich zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil vormen. Wel moet hij op grond van het beginsel van onschuldpresumptie rekening houden met de feiten die zijn vastgesteld in de strafrechtelijke procedure. Hiervoor moet er wel een voldoende verband zijn tussen de strafrechtelijke en de fiscale procedure (Hoge Raad 2-06-2017).

Volgens de rechtbank heeft de ondernemer dit verband onvoldoende aannemelijk gemaakt. Volgens de strafrechter vormde het verwijt dat de verdachte te weinig loonheffing had ingehouden en afgedragen een ander verwijt dan het opmaken van valse facturen (art. 225 Sr). Volgens de rechtbank heeft de vrijspraak van het opmaken van valse facturen dan ook niet tot gevolg dat de fiscus geen naheffingsaanslag mocht opleggen. Dat hieraan dezelfde onderzoeken ten grondslag liggen doet hier niet aan af.

Vervolgens beoordeelt de rechter of er sprake was van een dienstbetrekking. De rechtbank kijkt hierbij naar de wijze waaraan uitvoering is gegeven aan de overeenkomst tussen de stukadoors in de VOF en de ondernemer. Daar de stukadoors hun werkzaamheden verrichtten onder leiding van de ondernemer, die de offertebesprekingen met de opdrachtgevers voerde en ook alle contacten met hen onderhield, de stukadoors zich niet zonder toestemming vrij konden laten vervangen en er ook sprake was van betaling van loon (niet per uur, maar dat is niet van belang), was er volgens de rechtbank sprake van een dienstbetrekking. De naheffingsaanslag was dus terecht opgelegd.

Wet: art. 6 lid 2 EVRM
Jurisprudentie: Rb. Gelderland 5-02-2019, AWB - 17 _ 4903 (ECLI:NL:RBGEL:2019:404); HR 2-06-2017, 15/05179 (ECLI:NL:HR:2017:958)