Lijfrente en uitkeringsbedragen niet door rechthebbende genoten

05 februari 2019

Een echtgenote eigent zich op frauduleuze wijze de inkomsten toe van haar echtgenoot, een pensioenlijfrente en WAO-uitkering. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden zijn die inkomsten door de man, die destijds ernstig ziek was, niet door hem genoten. Ook trof hem geen schuld dat niet de vereiste aangifte was gedaan.

Een man woont tot in maart 2017 samen met zijn toenmalige echtgenote op hetzelfde adres. In maart 2017 is de echtgenote vertrokken. Volgens door de inspecteur ontvangen renseignementen heeft de man in 2015 een pensioenlijfrente ontvangen van € 8.622 en een WAO-uitkering van € 25.859. In zijn dossier zitten tevens brieven uit 2015 met het verzoek aan de uitkerende instanties de uitkeringen te storten op een gezamenlijke bankrekening van hem en zijn echtgenote, in plaats van op een bankrekeningnummer dat alleen op zijn naam staat. Hij doet geen aangifte inkomstenbelasting over 2015, waarna de inspecteur de aanslag over 2015 met dagtekening 24 mei 2017 ambtshalve vaststelt. Tevens legt de inspecteur een verzuimboete op. De man maakt op 16 juni 2017 bezwaar tegen de aanslag en dient zijn aangifte over 2015 in. Tevens verzoekt hij de uitkerende instanties het door hem nog niet ontvangen deel van de uitkeringen aan hem over te maken. UWV heeft nog niet op zijn verzoek beslist, maar met de verzekeraar heeft hij een vaststellingsovereenkomst gesloten. Over november 2015 tot juni 2016 ontvangt hij eenmalig een bedrag van € 2.500, zonder dat de verzekeraar schuld bekend.

In geschil is of de inspecteur het verzamelinkomen over 2015 juist heeft vastgesteld en of de verzuimboete terecht is opgelegd.

Het hof oordeelt dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat hem ten aanzien van het niet doen van aangifte IB/PVV 2015 geen verwijt kan worden gemaakt. Hij was door ernstige ziekte in 2015 en 2016 niet in staat zijn financiële belangen te behartigen. Die heeft hij overgedragen aan zijn echtgenote, die alle jaren hun gezamenlijke aangifte IB/PVV verzorgde. Afgesproken was dat zij dit ook zou doen over 2015. Hiertoe heeft hij zijn codes, pasjes en dergelijke aan haar overgedragen. Toen hij in 2017 weer voldoende was hersteld, is hem gebleken dat zij geen gezamenlijke aangifte IB/PVV over 2015 heeft gedaan. De herinnering en aanmaning voor het doen van aangifte uit 2016 heeft zij achtergehouden. Volgens het hof heeft hij voldoende gedaan om zijn financiële aangelegenheden gedurende zijn ziekte over te dragen. Dat zijn echtgenote zich vervolgens niet aan de gemaakte afspraken houdt is hem, gelet op zijn ziekte, niet aan te rekenen. Er volgt daarom geen omkering van de bewijslast.

De man stelt dat hij in 2015 geen inkomen heeft genoten, omdat zijn echtgenote nagenoeg al het geld uitgaf en vanaf september 2015 heeft hij geen uitkeringen meer ontvangen. Zonder zijn toestemming heeft zijn echtgenote het verzoek ingediend de uitkeringen op een ander bankrekeningnummer te laten storten. Deze bankrekening stond weliswaar op beider naam, maar in werkelijkheid alleen op naam van de echtgenote. De uitkeringen zijn daardoor niet aan hem uitbetaald, zodat het niet als inkomen door hem is genoten.

Het hof overweegt dat loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn genoten op het moment waarop zij zijn ontvangen of vorderbaar en inbaar zijn geworden. Het hof oordeelt dat belanghebbende de AOW-uitkering vanaf september en de pensioenlijfrente vanaf november 2015 niet heeft ontvangen. Dit oordeel vindt steun in de vaststellingsovereenkomst met de nabetaling. Omdat UWV en de lijfrente-uitvoerder niet onverwijld hebben nabetaald is geen sprake van een vorderbare uitkering. Van inbare uitkeringen, die op een bankrekeningnummer van de echtgenote zijn betaald, was ook geen sprake in 2015. De uitkeringen zijn daarom vanaf september respectievelijk november 2015 niet door belanghebbende genoten. Het hof vermindert het verzamelinkomen. Door afwezigheid van alle schuld bij het niet tijdig doen van de vereiste aangifte dient het opleggen van een verzuimboete achterwege te blijven. Het hof verklaart het hoger beroep gegrond.

Uit deze zaak blijkt dat belanghebbende niet al zijn pasjes aan zijn echtgenote heeft overgedragen, anders was het niet nodig geweest dat de echtgenote zich op frauduleuze wijze zijn uitkeringen heeft toegeëigend. Blijkbaar heeft deze handelwijze voor het hof de doorslag gegeven te oordelen dat door belanghebbende de uitkeringen, ondanks dat zij op de gezamenlijke bankrekening zijn gestort waarvan zij blijkbaar alleen het pasje had, niet zijn genoten. Dit naast het feit dat de lijfrente-uitvoerder, zonder schuld te bekennen, een nabetaling heeft gedaan.

Wet: art. 27h jo . 27, lid 1 AWR ; art. 3:146 lid 1 aanhef en onder a en e Wet IB 2001
Jurisprudentie: Hof Arnhem-Leeuwarden 15-01-2019, nr. 18/00186 (ECLI:NL:GHARL:2019:355); Rb. Gelderland 7-02-2018, nr. AWB 17/4120, 17/4121 en 17/4122 (ECLI:NL:RBGEL:2018:681)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld