Middellijke aandeelhouders waren niet in dienstbetrekking

31 januari 2019

Hof Den Haag bevestigt een uitspraak van rechtbank Den Haag dat er geen sprake was van een dienstbetrekking tussen een handelsmaatschappij en twee middellijke minderheid aandeelhouders. Volgens de inspecteur was dit wel het geval en waren zij verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen.

Een handelsonderneming heeft als enig aandeelhouder een holding. Drie personen zijn via hun persoonlijke holdings aandeelhouder in de holding. Sinds 26 januari 2012 zijn zij voor respectievelijk 50%, 25% en 25% middellijk aandeelhouder van de holding. Daarvoor was de verhouding respectievelijk 44%, 29% en 27%.

Tot oktober 2009 waren de drie middellijke aandeelhouders bestuurder van de holding en de handelsvennootschap. Oktober 2009 is er echter een structuurwijziging doorgevoerd: de persoonlijke holdings zijn nu bestuurder van de holding en de holding is bestuurder van de handelsonderneming. Tussen de holding en de handelsonderneming en tussen de persoonlijke holdings en de holding worden managementovereenkomsten gesloten. In de statuten was verder bepaald dat bestuurders alleen door een meerderheid van twee derde van de stemmen op de AVA kunnen worden ontslagen. Bij de structuurwijziging in 2009 is tevens bepaald dat een aandeelhouder die 50% of meer van het geplaatste aandelenkapitaal houdt 6 stemmen heeft en de aandeelhouders met een minderheidsbelang 3 stemmen. Alleen bij een besluit over zijn ontslag kan een minderheidsaandeelhouder 6 stemmen uitbrengen.

Over de jaren 2012 tot en met 2015 legt de inspecteur aan de handelsmaatschappij naheffingsaanslagen loonheffingen op, omdat hij van mening is dat de beide middellijke aandeelhouders met een minderheidsbelang verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. Volgens de inspecteur was er in 2009 feitelijk niets gewijzigd en was slechts een salarisbetaling vervangen door een managementvergoeding. Volgens de rechtbank had de inspecteur miskend dat er een structuurwijziging had plaatsgevonden en niet aannemelijk gemaakt dat tussen de beide middellijke aandeelhouders en de handelsonderneming sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking of van een fictieve dienstbetrekking voor gelijkgestelden.

Ook het hof komt in hoger beroep tot het oordeel dat beide middellijke minderheidsaandeelhouders geen werknemer zijn van de handelsmaatschap in de zin van de werknemersverzekeringen. Zij zijn derhalve niet verplicht verzekerd. Er is geen sprake van een privaatrechtelijke of fictieve dienstbetrekking met de handelsmaatschappij. De inspecteur had nog aangevoerd dat de holding en de persoonlijke holdings reƫle praktische betekenis missen, maar dat standpunt is volgens het hof onvoldoende onderbouwd.

In hoger beroep brengt de handelsmaatschappij nog naar voren dat de rechtbank ten onrechte geen integrale proceskostenvergoeding had toegekend. Volgens de handelsmaatschappij had de inspecteur namelijk ernstig onzorgvuldig gehandeld in de procedure in bezwaar en beroep waardoor er sprake was van een bijzondere omstandigheid die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Hier gaat het hof echter niet in mee: niet kan worden gezegd dat de inspecteur tegen beter weten in bij het opleggen van de naheffingsaanslagen een volstrekt onhoudbaar standpunt heeft ingenomen en dat hij dat tot en met het instellen van hoger beroep heeft volgehouden.

Wet: art. 3 WW ; art. 3 ZW ; art. 8 Wet WIA ; art. 3 WAO

Jurisprudentie: Hof Den Haag 15-01-2019, BK-18-00552 t/m BK-18-00556 (ECLI:NL:GHDHA:2019:98); Rb. Den Haag 22-02-2018, AWB - 17 _ 5255 (ECLI:NL:RBDHA:2018:4988)