Uitkering in strijd met de voorwaarden stamrechtvrijstelling

28 januari 2019

De stamrechtvrijstelling is met ingang van 1 januari 2014 vervallen. Op grond van overgangsrecht blijven de oude regels van toepassing op stamrechten die vóór dat moment waren overeengekomen. Wordt bij de uitvoering de voorwaarden van de stamrechtvrijstelling geschonden, dan kan de fiscus een naheffingsaanslag met boete opleggen.

Een man heeft in 2012 een ontslagvergoeding van € 62.207 ontvangen van zijn voormalige werkgever. Dit bedrag is op de bankrekening van een door hem opgerichte bv gestort. De man heeft de inspecteur gevraagd of de stamrechtvrijstelling van toepassing is. De inspecteur heeft op 29 maart 2012 laten weten welke voorwaarden gelden voor toepassing van de stamrechtvrijstelling en dat hij op basis van de verstrekte informatie van mening is dat aan die eisen is voldaan. Bij de voorwaarden stond onder meer benoemd dat sprake moet zijn van een uitkering wegens gederfd of te derven loon, niet zijnde een uitkering uit hoofde van een onzuivere pensioenregeling of de vervreemding of uitoefening van optierechten. Ook had de inspecteur aangegeven dat de ontslagvergoeding moet worden aangewend voor de aankoop van een recht op periodieke uitkeringen. De man en de bv zijn geen stamrecht overeengekomen en op 15 augustus 2012 is het volledige bedrag overgemaakt van de bankrekening van de bv naar de privérekening van de man. Het geld is op die rekening beschikbaar gebleven.

De inspecteur legt een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op over 2012 omdat de stamrechtvrijstelling ten onrechte is toegepast. In dezelfde brief heeft de Inspecteur aangekondigd dat hij voornemens is een vergrijpboete van 25% wegens grove schuld op te leggen. Uiteindelijk matigt de inspecteur de boete naar € 4.000 wegens het gebrek aan kennis en kunde van de man over fiscale vraagstukken, omdat hij dacht het geld weer te kunnen overhevelen naar de bv en omdat het geld beschikbaar was gebleven op de privérekening. De man is het niet eens met de boete en gaat in beroep.

De rechtbank laat de boete in stand. De man kende de brief van 29 maart 2012 waarin de voorwaarden voor de toepassing van de stamrechtvrijstelling zijn omschreven. Hij had dus kunnen en moeten begrijpen dat zijn handelwijze niet in overeenstemming is met deze voorwaarden. Hij had zich op dat moment moeten afvragen of hij zich wel aan de voorwaarden hield. Dit geldt ook als een belastingplichtige niet fiscaal deskundig is en sprake is van een redelijk complexe regeling met specifieke voorwaarden. Daarbij komt dat niet is gebleken dat op een andere manier een begin is gemaakt met het naleven van de voorwaarden. Herstel achteraf is ook niet mogelijk omdat de overschrijving vanaf de zakelijke rekening naar de privérekening geen handeling is die achteraf kan worden teruggedraaid.

De stamrechtvrijstelling is met ingang van 1 januari 2014 vervallen. In 2014 konden stamrechten worden afgerekend tegen 80% van de waarde van die aanspraak. Ook is het met ingang van 1 januari 2015 mogelijk om stamrechtuitkeringen voor een deel vervroegd te ontvangen zonder dat dit wordt aangemerkt als een gedeeltelijke afkoop. Ondanks deze maatregelen is het fenomeen stamrecht nog niet verdwenen. Dat de Belastingdienst de juiste uitvoering daarvan serieus neemt, blijkt uit de aanslag en de hoogte van de boete. Overigens valt op dat de inspecteur de onkunde van de belastingplichtige als strafverlichtende omstandigheid zag. Het ligt meer voor de hand dat de inspecteur vasthoudt aan de oorspronkelijke boete als een onkundige belastingplichtige geen adviseur inschakelt.

Wet: art. 10, 11 lid 1 aanhef en onderdeel g, 13a Wet LB 1964 (tekst 2013); art. 39f Wet LB 1964 (tekst 2014)
Jurisprudentie: Rb. Gelderland 16-01-2019, nr. AWB-18_4231 (ECLI:NL:RBGEL:2019:148)

Loonzaken/Laura Jentink