Conclusie AG HvJ over aanwijsregels zeevarenden

28 januari 2019

De advocaat-generaal van het EU Hof van Justitie concludeert dat de Europese sociale-zekerheidsverordening een sluitend systeem van aanwijsregels bevat. Volgens de advocaat-generaal bepaalt de aanwijsregel, zoals deze is opgenomen in de restbepaling, dat wanneer geen andere aanwijsregel van toepassing is, de wetgeving van de lidstaat waar de werknemer woont van toepassing is.

De verzekeringsplicht voor zeevarenden werkzaam aan boord van zeeschepen, valt uiteen in werken aan boord van EU-gevlagde schepen en aan boord van niet-EU-gevlagde schepen.
Voor EU-gevlagde schepen geldt de hoofdregel van de Europese sociale-zekerheidsverordening: de werkzaamheden aan boord van het zeeschip moeten worden beschouwd als werkzaamheden die worden verricht in de lidstaat waarvan het schip de vlag voert. Dit betekent dat de persoon die werkzaam is aan boord van een zeeschip dat onder de vlag van een lidstaat vaart, ressorteert onder de wetgeving van die lidstaat. Als een werknemer echter wordt betaald door een onderneming of een persoon die is gevestigd in de lidstaat waar de werknemer woont, dan is de wetgeving van het woonland van toepassing. Ook is detachering van grondgebied naar zeeschip mogelijk.

Voor niet-EU-gevlagde schepen, zeeschepen die varen onder de vlag van derde staten, zijn in de sociale-zekerheidsverordening geen aanwijsregels opgenomen. Althans, dat was de opvatting van Nederland, tot aan de conclusie van de advocaat-generaal. Op grond van arresten van het Hof van Justitie (de zaak-Aldewereld en de zaak-Kik) ging men ervan uit dat de Nederlandse wetgeving dient te worden toegepast, als de werkgever van een zeevarende in Nederland is gevestigd, de zeevarende in de EU, de EER of Zwitserland woont en beschikt over een EU-nationaliteit en het schip vaart onder de vlag van een derde staat. Dus bij aanwezigheid van een Nederlandse werkgever werd geoordeeld dat er sprake was van verzekeringsplicht in Nederland. Dit standpunt was mede gebaseerd op de veronderstelling dat de restbepaling van de aanwijsregels enkel zag op bepaalde groepen niet-actieven en niet zag op alle groepen werknemers.

De conclusie van de advocaat-generaal wijzigt dit standpunt en deze veronderstelling. Voor de restbepaling is niet langer van belang dat een werknemer in dienst is van een werkgever die in Nederland is gevestigd, maar bepalend is waar de werknemer woont. De advocaat-generaal deed deze conclusie in de zaak van een werknemer uit Letland die in dienst was van een in Nederland gevestigde werkgever. Zijn werkzaamheden verrichtte hij aan boord van een zeeschip dat de vlag van een niet-EU-lidstaat voert. De vraag is nu of de socialeverzekeringswetgeving van de vestigingsplaats van de werkgever van toepassing is (de Nederlandse), dan wel de socialeverzekeringswetgeving van de woonplaats van de werknemer (de Letse). De advocaat-generaal concludeert dat de aanwijsregel, zoals deze is opgenomen in de restbepaling, bepaalt dat wanneer geen andere aanwijsregel van toepassing is, de wetgeving van de lidstaat waar de werknemer woont van toepassing is. Er kan geen sprake zijn van de veronderstelling dat deze restcategorie enkel van toepassing zou zijn op bepaalde groepen niet-actieven.

Werkgeversvereniging AWVN wijst erop dat voor in Nederland gevestigde werkgevers die werknemers hebben die in een EU-lidstaat wonen, dit standpunt van de advocaat-generaal geen onverkort voordeel hoeft te zijn. In veel gevallen zal door middel van een verzekering worden voorzien in dekking van een aantal sociale-zekerheidsrisico’s voor zeevarenden. Wanneer nu sprake is van aansluiting in het land waar de werknemers wonen, dan is het maar de vraag of de desbetreffende lidstaat daadwerkelijk voorziet in dekking van een aantal sociale zekerheidsrisico’s en of deze zich op hetzelfde niveau voordoen als de Nederlandse sociale verzekeringen. Daarnaast zal een werkgever steeds in het woonland de sociale-verzekeringspremies verschuldigd zijn en aldaar moeten zorgen voor inhouding en afdracht van premies.

Bron: AWVN 24-01-2019; Conclusie AG HvJ EU 10-01-2019