VOF-constructie pakketbezorgers miste realiteitsgehalte

21 januari 2019

Volgens Rechtbank Noord-Holland miste een constructie waarbij pakketbezorgers in een VOF-constructie werkzaam waren voor een transportbedrijf realiteitsgehalte. Volgens de rechtbank was er sprake van een schijnconstructie.

Een pakketbezorger is samen met andere pakketbezorgers bij een VOF aangesloten. Hij ontvangt maandelijks uit naam van de VOF een bedrag, gebaseerd op het aantal door hem gerealiseerde succesvolle stops of afgeleverde pakketten verminderd met de aan hem toe te rekenen kosten. Tot deze kosten hoort de leaseprijs van de bezorgbus die op naam van de VOF wordt geleased en de kleding die de bezorger dient te dragen. Naast deze maandelijkse bedragen heeft de bezorger in het kader van de verdeling van de winst uit naam van de VOF, niets uitbetaald gekregen.
Op de bus en op de kleding staan de bedrijfsnaam van een andere onderneming dan de VOF.

De dagelijkse leiding op kantoor en de gehele organisatie met betrekking tot de pakketbezorging komt voor rekening van een coördinerende vennoot. Tijdens de tweemaandelijkse vergaderingen worden de bezorgers op de hoogte gebracht van een aantal van de besluiten of handelingen van de coördinerende vennoot. Zij kunnen niet meebeslissen. Bij ziekte zorgt de coördinerende vennoot voor vervanging.

De bezorger krijgt jaarlijks een overzicht van de accountant van de VOF toegestuurd, waarop alleen de aan hem uitbetaalde bedragen staan vermeld. Indien hij trachtte om de jaarstukken bij de accountant op te vragen, werd dat door de coördinerende vennoot verhinderd.
Nadat de bezorger zijn deelname aan de VOF opzegt, heeft hij het ten name van hem op de kapitaalrekening gecrediteerde bedrag uitbetaald gekregen.

De rechtbank oordeelt dat de VOF realiteitsgehalte mist. Het gaat om een schijnconstructie. De bezorger was verplicht de werkzaamheden persoonlijk te verrichten omdat hij zich niet uit eigen beweging kon laten vervangen door een derde. Hij ontving ook een beloning voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden. Verder zag de coördinerende vennoot toe op naleving door de pakketbezorgers/chauffeurs van procedurevoorschriften en instructies. Op grond hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat de coördinerende vennoot bindende aanwijzingen en instructies gaf ten aanzien van het uitvoeren van de pakketbezorgingswerkzaamheden. Daarbij is van belang dat de coördinerende vennoot in een zodanige overheersende positie verkeerde dat alle overige vennoten geheel van hem afhankelijk waren en daardoor aan hem ondergeschikt waren.

Commentaar

In een eerdere zaak over pakketbezorgers die in VOF-verband werken oordeelde Hof Den Haag dat sprake is van een fictieve dienstbetrekking op grond van de uitzendfictie. Of sprake was van een echte dienstbetrekking kwam niet aan de orde. Rechtbank Noord-Nederland beantwoordt deze principiële vraag wel. Daarbij komt duidelijk naar voren dat niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking dienen te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dat ook moet worden gekeken naar de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Dit komt ook duidelijk naar voren in de procedure tegen Deliveroo (zie Arbeidsovereenkomst én cao van toepassing bij Deliveroo, 15-01-2019 ) is gepubliceerd. In die procedure is overigens goed te zien dat de vaststelling van de waarde van de schriftelijke vastlegging een kwestie van wegen is.

Loonzaken/Laura Jentink

Jurisprudentie: Rb. Noord-Nederland 27-11-2018 (publ. 17-01-2019), AWB-17_2053 (ECLI:NL:RBNNE:2018:4797); Rb. Amsterdam 15-01-2019, nr. 7044576_CV_EXPL_1814763 (ECLI:NL:RBAMS:2019:198); HR 13-07- 2007, C05/331HR (ECLI:NL:HR:2007:BA6231); HR 25-03-2011, 10/02146 (ECLI:NL:HR:2011:BP3887); Hof Den Bosch 3-04-2018, nr. BK-17/00495 en BK-17/00496 (ECLI:NL:GHDHA:2018:752); Rb. Den Haag 4-04-2017, nr. AWB-16_7734 (ECLI:NL:RBDHA:2017:11302); HR 14-11-1997, 16453 (NJ 1998, 149 - Groen/Schoevers); HR 10-12-2004, C03/264HR (ECLI:NL:HR:2004:AP2651); HR 2-09-2011, nr. 09/04986 (ECLI:NL:HR:2011:BQ3876)