Overgangsrecht privégebruik auto van de zaak legitiem

14 januari 2019

Voor auto’s met een datum van eerste toelating in Nederland na 1 januari 2017 geldt het 22%-tarief. Voor oudere auto’s geldt het tarief van 25%. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever met het treffen van deze overgangsregeling niet een regeling heeft getroffen die van elke redelijke grond is ontbloot.

Een werkgever stelt mede voor privédoeleinden een auto van de zaak aan zijn werknemer ter beschikking. De auto heeft als datum van eerste toelating op de weg 21 augustus 2015. Over januari 2017 telt de werkgever 25% van de cataloguswaarde bij het loon van de werknemer en draagt daarover loonheffingen af. Op auto’s met een eerste toelatingsdatum vanaf 2017 is de bijtelling voor privégebruik 22%. Op de bijtelling voor privégebruik van 25% is een overgangsregeling van toepassing. Rechtbank Den Haag oordeelt dat, gezien het arrest van de Hoge Raad van 22 november 2013 en de totstandkomingsgeschiedenis, niet kan worden gezegd dat de overgangsregeling elke redelijke grondslag ontbeert. Er is geen sprake van strijd met art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM. Ook is er geen sprake van strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM. De werknemer maakt niet aannemelijk dat hij wordt getroffen door een individuele buitensporige last. Tegen deze zaak is sprongcassatie aangetekend

De Hoge Raad overweegt dat een wetswijziging niet als discriminatie kan worden aangemerkt. Anders zouden wetswijzigingen niet meer mogelijk zijn. Hetzelfde geldt voor toevoeging van overgangsrecht. Er is pas sprake van discriminatie als een redelijke en objectieve rechtvaardiging van de vastgestelde ongelijkheid ontbreekt. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 13bis Wet LB 1964 en de overgangsregeling volgt dat met de bepaling is beoogd:

  • aan te sluiten bij de actuele ontwikkelingen van factoren over het privégebruik en de kosten van auto’s van de zaak van invloed op de benadering van de gemiddelde waarde van het voordeel voor privégebruik;

  • te verhinderen dat op privégebruik van een auto die vóór 2017 in het buitenland in gebruik is genomen de bijtelling van 22% van toepassing is en niet op auto die voor het eerst te naam is gesteld in het Nederlandse kentekenregister vóór 2017;

  • de complexiteit van de uitvoering van de regeling te beperken;

  • rechtszekerheid te bieden aan automobilisten die vóór 2017 een leasecontract hebben gesloten tegen een bijtellingstarief waarvan bij de keuze van de auto is uitgegaan.

De Hoge Raad oordeelt dat de overgangsregeling in combinatie met art. 13bis Wet LB 1964 evident niet van elke redelijke grond is ontbloot. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

De desbetreffende automobilisten zouden er waarschijnlijk geen bezwaar tegen hebben als zij het hadden moeten doen met het laten varen van hun aanspraak op rechtszekerheid ten behoeve van een lager bijtellingspercentage. Dit is echter geen argument tegen het oordeel van de Hoge Raad dat, gebaseerd op al deze redenen tezamen geen evidente en redelijke grond bieden voor de overgangsregeling.

Wet: art. 13bis Wet LB 1964, art. 36c lid 1 Wet LB 1964; art. 14 EVRM; art. 26 IVBPR; art. 1 Eerste Protocol EVRM
Jurisprudentie: HR 11-01-2019, nr. 17/04934 (ECLI:NL:HR:2019:1); Conclusie A-G 27-02-2018, (ECLI:NL:PHR:2018:201); Rb. Den Haag 5-09-2017, nr. SGR 17/2640 (ECLI:NL:RBDHA:2017:10568); HR 11-01-2019, nr. 18/00721 (ECLI:NL:HR:2019:32); Rb. Zeeland-West-Brabant 10-01-2018, nrs. BRE 17/4811, 17/4812, 17/4814; HR 22-11-2013, nr. 13/01154 (ECLI:NL:HR:2013:1206)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld