Geliquideerde bv kon niet herleven als inhoudingsplichtige

17 december 2018

De Hoge Raad bevestigt een uitspraak van Hof Den Bosch dat de heffing van de crisisheffing bij een inhoudingsplichtige rechtspersoon die op het moment van heffing al is opgehouden te bestaan, niet mogelijk is. Er is geen wettelijke basis om de rechtspersoon te doen herleven als inhoudingsplichtige.

Een tandarts drijft in een bv een tandartsenpraktijk. Een tandarts heeft 99% van de aandelen in zijn tandartspraktijk direct in handen via een holding-bv, het resterende deel van de aandelen heeft hij rechtstreeks in bezit. In 2013 geniet hij van de bv € 279.740 aan loon. In datzelfde jaar houdt de bv op te bestaan. De holding treedt op als vereffenaar en de vereffening is niet meer heropend. Nadat de bv is opgehouden te bestaan, betaalt de holding loon aan de tandarts voor soortgelijke werkzaamheden in de holding als deze tevoren in dienstbetrekking bij de bv had verricht. De inspecteur heft over het tijdvak maart 2014 bij de bv crisisheffing na.

De bv stelt dat van haar geen loonheffing kan worden geheven omdat zij geen inhoudingsplichtige meer was op het heffingsmoment (31 maart 2014). De Hoge Raad oordeelt dat inderdaad een wettelijke basis ontbreekt om de bv, die op het inhoudingstijdstip is aan te merken als een niet bestaande rechtspersoon tot wie geen personen in dienstbetrekking staan, te doen herleven als inhoudingsplichtige voor de crisisheffing voor het jaar 2014.

De Wet op de loonbelasting 1964 bepaalt welke (rechts)personen inhoudingsplichtig zijn voor de loonbelasting. Voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is inhoudingsplichtig degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan. De crisisheffing wordt alleen geheven over loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Een rechtspersoon tot wie geen personen in dienstbetrekking staan nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan, kan daarom op grond van de wet niet inhoudingsplichtig zijn. De lagere regelgeving waarin uitbreiding van de inhoudingsplicht is geregeld, kan niet worden toegepast. De wet geeft namelijk geen mogelijkheid om de invulling van het begrip ‘inhoudingsplichtige’ in lagere regelgeving te verruimen.

Loonzaken/Laura Jentink

Wet: art.6 Wet LB 1964 (tekst 2014), art. 32bd Wet LB 1964 (tekst 2014); art. 10f UBLB 1965 (tekst 2014)

Jurisprudentie: HR 14-12-18, nr. 18/01666 (ECLI:NL:HR:2018:2308); AG 25-09-2018, nr. 18/01666 (ECLI:NL:PHR:2018:1039); Hof Den Bosch 15-03-2018, nr. 16/03558 (ECLI:NL:GHSHE:2018:1134); Rb. Zeeland-West-Brabant 20-06-2016, nr. BRE 15/1066 (ECLI:NL:RBZWB:2018:5618); HR 19-09-2003, nr. 38 372 (ECLI:NL:HR:2003:AK8288)