Nieuwe Handreiking voor interpretatie RVU

07 januari 2019

Op 28 december 2018 is een verzamelbesluit van 11 december 2018 over diverse onderwerpen op het terrein van pensioenen in de Staatscourant gepubliceerd, dat daarmee op 29 december 2018 in werking is getreden.

Naast dat dit beleidsbesluit een actualisering is van het besluit van 27 november 2017, worden bij het besluit ook een drietal besluiten ingetrokken die hun belang zouden hebben verloren.

Deze besluiten gaan over de kwalificatie van een regeling als een Regeling voor vervroegde uittreding (RVU) in de zin van artikel 32ba Wet op de loonbelasting 1964. Door de uitspraak van de Hoge Raad van 22 juni 2018 (een vrijwillig vertrek van een oudere werknemer op basis van een generieke, niet leeftijd afhankelijke remplaçantenregeling in een Sociaal Plan is geen RVU) zouden deze beleidsbesluiten hun actuele betekenis verloren hebben. Het gaat om het de volgende besluiten:

  • het besluit van 26 mei 2005 (toelichting op de zogeheten kwantitatieve toets);

  • het besluit van 8 december 2005 (toelichting op de zogeheten kwalitatieve toets);

  • het besluit van 18 december 2013 (met een 10%-doelmatigheidsmarge bij afspiegeling).

Op 28 december 2018 heeft de Belastingdienst een handreiking voor de interpretatie van het begrip RVU gepubliceerd op zijn site Belastingdienstpensioensite.nl.

Deze handreiking gaat uit van de volgende beoordeling van een vertrekregeling:

  1. Toetsing aan de objectieve voorwaarden van een vertrekregeling. Is het ontslag leeftijd gerelateerd? Hierbij geldt dat de beweegredenen van de werkgever om een vertrekregeling aan te bieden en de intenties van de werknemer om de vertrekregeling te accepteren, niet relevant zijn.

  2. Wanneer op basis van de objectieve voorwaarden sprake kan zijn van een RVU, dan vindt op individueel niveau toetsing plaats aan de hand van een 70%-toets om te beoordelen of de ontslagvergoeding de werknemer feitelijk in staat stelt om de periode tot aan de AOW-leeftijd, dan wel eerdere pensioendatum te overbruggen, dan wel of de vergoeding gezien kan worden als een aanvulling op het pensioen.

Uit deze handreiking blijkt overigens, dat het door de Belastingdienst gehanteerde beoordelingskader uit de vervallen beleidsbesluiten van 26 mei 2005 en 8 december 2005 in het kader van de kwalitatieve en kwantitatieve toets op hoofdlijnen in stand blijft. Het ‘nieuwe’ beleid ziet met name op het benadrukken dat objectieve voorwaarden en kenmerken van afvloeiingsregelingen bepalend zullen (moeten) zijn bij de beoordeling of een dergelijke regeling bedoeld is als financiële overbrugging tot aan pensioen- of AOW leeftijd (= RVU). Dit uiteraard gebaseerd op boven bedoelde uitspraak van de Hoge Raad van 22 juni 2018.

Tevens is in de handreiking voor de 70%-toets (kwantitatieve toets) ten opzichte van het vervallen besluit van 26 mei december 2005 als één van de uitkeringen uit vroegere dienstbetrekking, die bij deze toets moet worden meegenomen, een ‘vervroegd ouderdomspensioen’ toegevoegd. In de handreiking staat daarbij wel toegelicht, dat in dat geval dan wel al bij vertrek of aanvang van de regeling bij de oudere werknemer de intentie moet bestaan tot vervroeging van het ouderdomspensioen.

Jurisprudentie: HR 22-06-2018, nr. 16/06236 (ECLI:NL:HR:2018:958)

Bron: MvF 11-12-2018, nr. 2018-28514 (Stcrt. 2018, 68653); Belastingpensioensite 28-12-2018, handreiking voor de interpretatie van het begrip RVU

(7-01-2019)