Zeven weken werk kost vijf maanden premieplicht

20 oktober 2020

Een studiebeurs moet worden meegerekend om het premie-inkomen te berekenen. Daar de universiteit het loon voor zeven weken werk heeft uitgesmeerd over vijf maanden, wordt over die periode het premie-inkomen berekend.


Een academicus woont heel 2016 in Duitsland. Voor haar onderzoek aan de universiteit aldaar ontving zij een studiebeurs van een stichting ad € 2.500 per maand. Daarnaast heeft zij zeven maal een wekelijks hoorcollege verzorgt aan een universiteit in Nederland over een periode van zeven weken. Hiervoor ontving zij als ambtenaar over februari tot en met juni 2016 € 4.410. Tevens heeft zij drie scripties begeleid waarvoor zij € 1.600 ontving. De aanslag IB/PVV is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ad € 6.010 en een premie-inkomen van € 13.953. In geschil is of bij het vaststellen van de aanslag de studiebeurs terecht in aanmerking is gekomen. De rechtbank overweegt dat op grond van de Verordening betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels het Nederlandse socialezekerheidsstelsel op de academicus van toepassing is. Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt het premie-inkomen bepaald volgens de Wet IB 2001. Daarom moet ook de studiebeurs, als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, in aanmerking worden genomen. Haar inkomen bedraagt daarom € 36.010 (€ 30.000 + € 6.010). Omdat zij slechts voor vijf maanden premieplichtig is in Nederland zou haar premie-inkomen € 18.510 (5 maal € 2.500 + € 6.010) bedragen. Aangezien bij de aanslag een premie-inkomen van € 13.953 in aanmerking is genomen, is de aanslag niet te hoog vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is.

De opmerking van de academicus dat zij haar verdiensten in Nederland is slecht zeven weken heeft verdiend maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De universiteit heeft haar loon uitgesmeerd over de periode van vijf maanden.

Wet: art. 11 en 13 Verordening (EG) nr. 883/2004, art. 8 lid 1 Wfsv, Hoofstuk 3 Wet IB 2001, art. 2.4 en 2.5 Regeling Wfsv
Jurisprudentie: Rb. Zeeland-West-Brabant 17-7-2020, nr. AWB – 19_6163, (ECLI:NL:RBZWB:2020:3162)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld