Meer inzicht in werknemerschap voor Unierecht

14 mei 2020

Een zaak voor het Hof van Justitie van de EU over mogelijk werknemerschap van een pakketbezorger werpt meer licht op de Europeesrechtelijke kwalificatie als werknemer. Als een arbeidskracht bepaalde reële vrijheden heeft, kan hij geen werknemer zijn.


Een pakketbezorger werkte sinds juli 2017 uitsluitend voor een Limited (Ltd.) in het Verenigd Koninkrijk (VK). Zijn werkzaamheden vonden plaats op grond van een courier services agreement. Volgens deze overeenkomst trad de bezorger op als zelfstandige. Voor de bezorgingen moest hij zijn eigen auto gebruiken en contact houden met zijn eigen mobiel. Maar de man had eerst een training moeten volgen om vertrouwd te raken met de bezorgdiensten van de Ltd. De bezorger mocht zich laten vervangen. Hij mocht bovendien pakketten voor derden bezorgen en bezorgingen van de Ltd. weigeren. De pakketbezorger meent dat hij kwalificeert als een werknemer, maar de Britse rechter stelt dat het recht van het VK dat niet toestaat.

De vraag is echter of het recht van het VK in dit geval in overeenstemming is met Europees recht, althans voor de periode waarin dat nog geldt. De Britse rechter stelt daarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Het Hof gaat in op de vraag of een persoon die werkzaamheden verricht in het kader van een service agreement een werknemer kan zijn. Daarbij is de achtergrond dat volgens de overeenkomst de persoon een zelfstandige is.

In principe is de hierboven beschreven arbeidskracht geen werknemer voor het Unierecht als hij:

  • de desbetreffende werkzaamheden mag laten uitvoeren door vervangers of onderaannemers;

  • vrij is om verscheidene taken van zijn opdrachtgever wel of niet uit te voeren of een maximum aan het aantal taken mag stellen;

  • zijn diensten ook mag aanbieden aan derden, zelfs aan directe concurrenten van de werkgever; en

  • binnen bepaalde grenzen zijn eigen werktijden kan bepalen. Daarbij is van belang dat hij daarbij ook aan zijn eigenbelang mag denken en niet alleen aan het belang van de opdrachtgever.

Hierbij gaat het Hof wel ervan uit dat geen sprake is van schijnzelfstandigheid en dat men evenmin een gezagsverhouding constateert tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer. Het is aan de nationale rechter om dit uit te zoeken.

Jurisprudentie: EU-Hof van Justitie 22-4-2020, nr. C‑692/19 (ECLI:EU:C:2020:288)
Wet: art. 7:610 lid 1 BW en art. 2 Richtlijn 2003/88