Loon is geen winst uit onderneming

12 mei 2020

Omdat het uit dienstbetrekking genoten loon geen ondergeschikte plaats inneemt ten opzichte van de winst en er geen nauwe samenhang bestaat tussen werkzaamheden, kan het loon niet als winst uit onderneming worden aangemerkt.


Een bijzonder hoogleraar werkt zowel in dienstbetrekking bij een universiteit als bij een ministerie. In 2014 bedraagt zijn inkomen van het ministerie € 56.809 en van de universiteit € 29.229. Over deze inkomsten zijn loonheffingen ingehouden. Daarnaast heeft hij een onderneming, waarvoor hij werkzaamheden uitvoert op het gebied van internationaal en Europees belastingrecht. Zijn inkomsten daaruit bedragen in 2014 € 14.222. In zijn aangifte IB/PVV over 2014 heeft hij alle inkomsten aangegeven als winst uit onderneming. In geschil is of het inkomen uit dienstbetrekking tot de winst uit onderneming van de hoogleraar behoort. De rechtbank overweegt dat Hof Amsterdam in een uitspraak uit 2018 heeft geoordeeld dat voor het in aanmerking nemen van loon uit dienstbetrekking in het kader van winst uit onderneming is vereist dat er een nauwe samenhang bestaat tussen die werkzaamheden. Bovendien moeten de werkzaamheden in dienstbetrekking een ondergeschikte plaats innemen. De rechtbank oordeelt dat er in dit geval niet is voldaan aan die vereisten, omdat de omvang van de inkomsten uit dienstbetrekking de winst uit onderneming ruimschoots overtreft. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

In artikel 2.14 van de Wet IB 2001 staat een rangorde waarin is bepaald dat wanneer een voordeel dat op grond van meerdere artikelen als belastbaar inkomen kan worden aangemerkt, dit voordeel alleen op grond van het als eerste opgenomen hoofdstuk of de als eerste opgenomen afdeling of paragraaf wordt aangemerkt als bestanddeel van het belastbare inkomen. Omdat belastbare winst is opgenomen in afdeling 3.2 en het belastbare loon is opgenomen in afdeling 3.3, betekent dit dat allereerst moet worden beoordeeld of sprake is van winst uit onderneming. De rechtbank doet deze beoordeling eenvoudig van de hand met een verwijzing naar de hofuitspraak.

Wet: art. 2.14 Wet IB 2001
Jurisprudentie: Rb. Gelderland 4-12-2019, nr. AWB – 18_4821 (ECLI:NL:RBGEL:2019:5612); Hof Amsterdam 29-5-2018, nr. 17/00290 (ECLI:NL:GHAMS:2018:1695)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld