Dienstbetrekking civielrechtelijk uitgelegd

06 mei 2020

Omdat er civielrechtelijk sprake is van een dienstbetrekking, is volgens de Hoge Raad terecht een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd vanwege een excessieve vertrekvergoeding.


Belanghebbende hield tot 12 mei 2009 alle aandelen in A BV (hierna: de dochtermaatschappij). De dochtermaatschappij houdt alle aandelen in diverse vennootschappen waarmee zij de energiedivisie van het concern vormde. Belanghebbende heeft in januari 1982 een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten met B (hierna: de werknemer). Daarin was bepaald dat de werknemer werkzaam zou zijn voor de dochtermaatschappij. In 1994 is de werknemer toegetreden tot de directie van de dochtermaatschappij en op 1 maart 1999 tot het bestuur van belanghebbende. In de vanaf 1 maart 1999 geldende arbeidsvoorwaarden was vermeld dat de werknemer belast was met de dagelijkse leiding van de energiesector. Het salaris van de werknemer werd uitbetaald door belanghebbende en doorbelast aan de dochtermaatschappij.
Eind 2008 heeft belanghebbende besloten de aandelen in de dochtermaatschappij te verkopen. De werknemer ontvangt een ‘incentive fee’ bij een geslaagde verkoop. Op 12 mei 2009 heeft de werknemer ontslag genomen bij belanghebbende en heeft hij een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten met de dochtermaatschappij. Eveneens op 12 mei 2009 heeft belanghebbende de aandelen in de dochtermaatschappij verkocht. Op 20 mei 2009 heeft belanghebbende aan de werknemer de met de verkoop verband houdende ‘incentive fee’ van € 5 miljoen betaald. De inspecteur heeft aan belanghebbende met toepassing van art. 32bb Wet LB (pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding) een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 1.424.901.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende stelt dat geen sprake was van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de werknemer. Belanghebbende stelt dat de dienstbetrekking materieel en niet formeelrechtelijk moet worden beoordeeld. De inspecteur ontkent dit.
In navolging van de rechtbank en het hof oordeelt de Hoge Raad dat de werknemer zich in dienst van belanghebbende heeft verbonden tegen loon gedurende zeker tijd arbeid te verrichten en dat naar civiel recht sprake was van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de werknemer en niet tussen de dochtermaatschappij en de werknemer.
De inspecteur heeft dan ook terecht de naheffingsaanslag pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding opgelegd aan belanghebbende. Het beroep in cassatie van belanghebbende is ongegrond.

Het oordeel van de Hoge Raad is helder. Het begrip dienstbetrekking in art. 2 lid 1 Wet LB moet in overeenstemming met het civiele recht (art. 7:610 BW) worden uitgelegd. Op basis van de relevante factoren voor een dienstbetrekking inzake loon, arbeid en gezag heeft de werknemer een dienstbetrekking met belanghebbende en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

Wet: art. 2 lid 1, 32bb Wet LB 1964, art. 7:610 BW
Jurisprudentie: HR 1-5-2020, nr. 19/03059 (ECLI:NL:HR:2020:820); Hof Amsterdam 16-5-2019, nr. 18/00377 (ECLI:NL:GHAMS:2019:1980); Rb. Noord-Holland 18-5-2018, nr. AWB-15_4355 (ECLI:NL:RBNHO:2018:4373)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf