Voldoende causaal verband

29 april 2020

Omdat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de dienstbetrekking van de inmiddels overleden partner en de (pensioen)uitkering, is op de uitkering terecht loonbelasting ingehouden.


Een pilote is sinds 11 april 2005 in dienst geweest van een werkgever waarbij zij deelnam in een pensioenregeling voor vliegend personeel bij een stichting, die het pensioen had herverzekerd. Van 1 november 2011 tot aan haar overlijden op 4 januari 2013 heeft zij een gezamenlijke huishouding gevoerd met haar partner. Wegens de aankoop van een gezamenlijke woning hebben de pilote en de partner op 17 december 2012 een afspraak gemaakt bij de notaris. De notaris heeft op verzoek van beiden een concept opgesteld voor een samenlevingsovereenkomst. Hierin is de partner aangewezen als gerechtigde tot het partnerpensioen. Wegens het overlijden van de pilote heeft de vervolgafspraak om de definitieve samenlevingsovereenkomst te ondertekenen niet plaatsgevonden. Naar aanleiding van haar overlijden heeft de partner de stichting verzocht over te gaan tot uitbetaling van een tijdelijk partnerpensioen. De stichting is hiertoe overgegaan, nadat de kantonrechter in Haarlem hierover had beslist en heeft tegelijkertijd hoger beroep aangetekend bij Gerechtshof Amsterdam. Het hof heeft de vorderingen van de partner afgewezen en de partner veroordeeld tot het terugbetalen van de ontvangen bedragen. De partner is in cassatie gegaan. Intussen had de stichting besloten tot liquidatie over te gaan. Omdat het cassatieberoep de liquidatie in de weg zou staan heeft de stichting de partner een lumpsum aangeboden en zou zij afzien van terugbetaling indien de partner bereid zou zijn het beroep in cassatie in te trekken. De partner heeft de inspecteur van de Belastingdienst laten bevestigen dat de uitkering niet zou worden aangemerkt als de afkoop van een pensioenregeling, waardoor er geen revisierente verschuldigd zou zijn en waardoor de stichting hiervoor niet aansprakelijk was. De verzekeringsmaatschappij heeft vervolgens een bedrag ad € 900.005,03 uitgekeerd onder inhouding van loonheffing. De partner heeft tegen de inhouding bezwaar gemaakt. In geschil voor de rechtbank is of de inhouding van loonheffing terecht heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt dat het de vraag is of de uitkering ter beëindiging van het geschil over het bestaan van een pensioenaanspraak zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking van de pilote, dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt. De partner erkent ter zitting dat de stichting nooit tot een schikking zou zijn overgegaan indien de pilote geen pensioenaanspraak zou hebben gehad. De rechtbank acht het bovendien aannemelijk dat de stichting zich bij de bepaling van de hoogte van de uitkering mede heeft laten leiden door haar inschatting van de kansen van het ingestelde beroep in cassatie. Hiermee houdt de uitkering rechtstreeks verband met de dienstbetrekking van de pilote. De rechtbank oordeelt daarom dat de uitkering zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking van de pilote dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Een logische uitspraak van de rechtbank. Zonder de pensioenaanspraak van de pilote had de partner inderdaad geen uitkering van de stichting ontvangen. De rechtbank verwijst nog naar het beroemde smeerputarrest, waarin de vergoeding van de schade niet zozeer zijn grond vond in de dienstbetrekking van de werknemer. De werkgever in die zaak had onder die omstandigheden de vergoeding ook aan een ieder ander die geen werknemer was moeten geven.

Wet: art. 10 Wet LB 1964
Jurisprudentie: Rb. Noord-Holland 9-4-2020, nr. AWB - 19 _1936 (ECLI:NL:RBNHO:2020:2492); HR 29-6-1983, nr. 21 435 (ECLI:NL:HR:1983:AW9439)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld