Ook pensioenopbouw bij (tijdelijke) werktijdverkorting

17 maart 2020

Uit een V&A van het Centraal aanspreekpunt pensioenen van de Belastingdienst blijkt dat het mogelijk is om de pensioenopbouw voort te zetten als er een tijdelijke arbeidsduurverkorting wordt toegepast als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus.

Vanwege het coronavirus zijn ingrijpende maatregelen getroffen. Deze maatregelen hebben soms tot gevolg dat werkgevers voor (een deel van) hun werknemers tijdelijke arbeidsduurverkorting moeten toepassen. Er zijn dan mogelijkheden om de pensioenopbouw ongewijzigd voort te zetten zonder rekening te moeten houden met de toegepaste tijdelijke arbeidsduurverkorting.
De invulling van het begrip pensioengevende diensttijd is in de wet vastgelegd. Gedurende de periode van tijdelijke arbeidsduurverkorting in verband met het coronavirus kunnen zich met name de volgende situaties voordoen:

  1. Arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking geheel in stand blijft. In dat geval blijft er gewoon sprake van pensioengevende diensttijd in de zin van art. 10a lid 1 onderdeel a UBLB 1965. Dat hierbij sprake kan zijn van een lager pensioengevend loon hoeft geen probleem te zijn mits sprake is van een gebruikelijke loonsverlaging (art. 19 Wet LB). Bij een gebruikelijke loonsverlaging kan de pensioenopbouw worden voortgezet over het loon dat voorafgaande aan de arbeidsduurverkorting werd genoten.

  2. Arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking (gedeeltelijk) tijdelijk wordt beƫindigd in verband met het coronavirus. Als de werknemer een inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering ontvangt (denk aan een WW-uitkering), is er sprake van pensioengevende diensttijd in de zin van art. 10a lid 1 onderdeel c UBLB (eerste deel). De pensioenopbouw mag worden voortgezet op basis van het pensioengevend loon dat voorafgaande aan de arbeidsduurverkorting werd genoten.

  3. Arbeidsduurverkorting waarbij geen sprake is van onvrijwillig ontslag of er geen inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering wordt ontvangen. In dat geval kan er onder voorwaarden gebruik gemaakt worden van de vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw in de zin van art. 10a lid 1 onderdeel c UBLB (tweede deel) en onderdeel 2.3 van het Verzamelbesluit pensioenen van 11 december 2018.

Wet: art. 18g Wet LB 1964, art. 10a UBLB 1965 en onderdeel 2.3 van het Verzamelbesluit pensioenen 11-12-2018, nr. 2018-28514 (Stcrt. 2018, 68653)
Meer informatie: Centraal aanspreekpunt pensioenen, 16-03-2020