Uitkering uit lijfrentepolis kwalificeerde niet als pensioen

27 januari 2020

In grensoverschrijdende situaties is de kwalificatie van een betaling belangrijk voor de toewijzingsregels in het belastingverdrag. Een ex-werknemer slaagt er volgens Hof Den Bosch niet in dat een uitkering uit een stamrecht kwalificeert als een pensioen, waardoor het heffingsrecht niet aan Duitsland maar aan Nederland toekwam.

In 2002 is de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en zijn ex-werkgever beëindigd. Bij het einde dienstverband heeft belanghebbende een ontslag vergoeding van € 75.000 ontvangen. De ontslagvergoeding is door de ex-werkgever als lijfrentekapitaal gestort in een lijfrentepolis. Het betreft een zogeheten gericht stamrecht. In de bijlage bij de polis is onder meer vermeld dat de verzekering een stamrecht betreft als bedoeld in art. 11 lid 1 g Wet LB 1964 (oud). In 2009 verhuisde belanghebbende naar Duitsland.  

In januari 2015 werd met het lijfrentekapitaal bij een andere verzekeraar een polis voor een periodieke uitkering afgesloten. Op de polis is onder meer vermeld dat het een recht op een periodieke uitkering in de zin van art. 11 lid 1 g Wet LB 1964 betreft, de uitkeringen worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloning. Deze verzekeraar hield op de uitkering over het tijdvak januari 2015 tot en met 31 maart 2015 een bedrag van € 11.627 aan loonheffing in.  

In geschil is of door de verzekeraar terecht loonheffing is ingehouden over de uitkering. Specifiek is in geschil of het heffingsrecht over de uitkering is toegewezen aan Nederland of Duitsland. Belanghebbende is van mening dat de loonheffing ten onrechte is ingehouden nu de uitkering moet worden aangemerkt als een pensioen als bedoeld in art. 12 Belastingverdrag Nederland-Duitsland. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de uitkering moet worden aangemerkt als inkomen uit arbeid als bedoeld in art. 10 Belastingverdrag Nederland-Duitsland waarover Nederland mag heffen en de loonheffing daarom terecht is ingehouden.  

In navolging van de rechtbank oordeelt het hof dat van een pensioen als bedoeld in art. 12 Belastingverdrag Nederland-Duitsland alleen sprake is als de ontslagvergoeding in overwegende mate is afgestemd op en ertoe strekt te voorzien in de behoefte aan levensonderhoud vanaf de datum van beëindiging van de dienstbetrekking tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of tot verbetering van onvoldoende pensioenrechten. Belanghebbende slaagt er niet in dit te bewijzen. De uitkering moet worden aangemerkt als inkomen uit arbeid als bedoeld in art. 10 Belastingverdrag Nederland-Duitsland waar Nederland over mag heffen en daarom is terecht loonheffing ingehouden op de uitkering.  

Het hoger beroep is ongegrond.  

 

In grensoverschrijdende situaties is de kwalificatie van een betaling belangrijk voor de toewijzingsregels in het belastingverdrag. In bovengenoemde situatie heeft Nederland het heffingsrecht als het inkomen uit arbeid betreft (art. 10 Belastingverdrag Nederland-Duitsland), Duitsland heeft het heffingsrecht als het pensioen betreft (art. 12 Belastingverdrag Nederland-Duitsland).  

Belanghebbende verliest de procedure omdat hij niet aan de bewijslast kan voldoen dat de ontslagvergoeding is afgestemd en ertoe strekt te voorzien in een aanvulling op zijn pensioen.  

 

Jurisprudentie: Hof Den Bosch 16-01-2020, 18/00747 (ECLI:NL:GHSHE:2020:133); Rb. Zeeland-West-Brabant 9-11-2018, 16/8490 (ECLI:NL:RBZWB:2018:6412)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf