Premie-inkomen en heffingskorting

04 november 2019

Een belastingplichtige, die halverwege het jaar naar het buitenland is verhuisd, meent dat de inspecteur ten onrechte het premiedeel van de heffingskorting tijdsevenredig heeft toegekend. Volgens Hof Den Bosch volgt echter uit de Regeling Wfsv dat het premiedeel van de heffingskorting in grensoverschrijdende situaties tijdsevenredig moet worden vastgesteld.

Een vrouw woonde tussen 1 januari 2014 en 2 augustus 2014 in Nederland. In die periode is zij premieplichtig voor de volksverzekeringen in Nederland. Vanaf 3 augustus 2014 woont zij in de Verenigde Staten. Aan haar is voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen van € 18.750. De inspecteur heeft het premie-inkomen vastgesteld op het volledige arbeidsinkomen van de vrouw en heeft het premiedeel van de heffingskorting tijdsevenredig aan haar toegekend. In de bezwaarfase heeft de vrouw gekozen voor toepassing van de regels van binnenlandse belastingplicht.

Bij de uitspraak op bezwaar is het volledige bedrag van het inkomstenbelastingdeel van de heffingskorting toegekend. De inspecteur heeft de heffingskorting voor het premiedeel slechts tijdsevenredig toegekend, namelijk enkel voor de periode tot emigratiedatum. Niet in geschil is dat de vrouw vanaf emigratiedatum niet meer premieplichtig is in Nederland.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur het premie-inkomen terecht vastgesteld op het volledige arbeidsinkomen?

  2. Heeft de inspecteur het premiedeel van de heffingskorting terecht tijdsevenredig toegekend?

Hof Den Bosch overweegt dat de hoofdregel voor de berekening van het premie-inkomen voor de premies volksverzekeringen is vastgelegd in art. 8 Wfsv. Ingevolge het bepaalde in dit artikel, dient het premie-inkomen voor de aanslag IB/PVV 2014 van de vrouw te worden vastgesteld op het belastbaar inkomen uit werk en woning, zijnde een bedrag van € 18.750. Op grond van art. 12 Wsfv en art. 2.4 Regeling Wfsv is een vermindering van het premie-inkomen mogelijk met het gedeelte van het inkomen waarop volgens het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika de wetgeving van de Verenigde Staten van toepassing is. Kort gezegd houdt dat in dat het premie-inkomen verminderd wordt met het inkomen waarvoor in de Verenigde Staten van Amerika premieplicht bestaat. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat voor een gedeelte van het premie-inkomen van € 18.750 premieplicht in de Verenigde Staten van Amerika bestaat.

Ten aanzien van de tweede vraag is art. 2.6a Regeling Wfsv bepalend. In dit artikel is bepaald dat degene die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar premieplichtig is, de heffingskorting tijdsevenredig verminderd moet worden naar rato van de periode van de premieplicht in het kalenderjaar.

Het hof bevestigt in navolging van de rechtbank dat de inspecteur het premie-inkomen en het premiedeel van de heffingskorting juist heeft vastgesteld. Het hoger beroep is ongegrond.

In grensoverschrijdende situaties is het belangrijk een onderscheid te maken tussen de belastingplicht en de premieplicht. De belastingplicht en de premieplicht lopen namelijk niet altijd parallel.

De keuze van belanghebbende voor de regels van binnenlandse belastingplicht (art. 2.5 Wet IB 2001, per 1 januari 2015 vervangen door art. 7.8 Wet IB 2001) is alleen relevant voor de belastingplicht en is niet voor de premieplicht.

Wet: art. 8, 12 Wfsv; art. 2.4, 2.6a Regeling Wfsv; art. 7.8 Wet IB 2001

Jurisprudentie: Hof Den Bosch 8-08-2019 (publ. 30-10-2019), 18/00298 (ECLI:NL:GHSHE:2019:3012); Rb. Zeeland-West-Brabant 11-04-2018, BRE - 16 _ 10230 (ECLI:NL:RBZWB:2018:2226)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf