Dienstbetrekking geacht geheel in Nederland te zijn vervuld

04 november 2019

Na een arbeidsconflict vertrekt een werknemer/mede-aandeelhouder naar het buitenland. De dienstbetrekking is nog niet opgezegd, er worden geen werkzaamheden verricht, maar er worden nog wel vergoedingen ontvangen op grond van een vaststellingsovereenkomst. Volgens Rechtbank Noord-Holland waren die betalingen in Nederland belast: de dienstbetrekking werd geacht geheel in Nederland te zijn vervuld.

Een man was sinds augustus 1997 bij een bv in dienstbetrekking als senior partner. Hij was in de periode maart 1997 tot 4 april 2016 tevens ingeschreven als bestuurder van de bv. Sinds april 2013 bezat hij samen met twee andere aandeelhouders via een tussenvennootschap alle aandelen in de bv. In 2014 bestond het voornemen om de bv te verkopen. De senior partner was het niet met zijn medeaandeelhouders eens over deze verkoop, hetgeen heeft geleid tot een arbeidsconflict.

De drie aandeelhouders sloten een vaststellingsovereenkomst. De senior partner zou zijn functie neerleggen op het moment van verkoop van de aandelen van de bv en daarna advieswerkzaamheden verrichten voor de bv tot uiterlijk 31 december 2015. Voor zijn advieswerkzaamheden in 2015 zou hij een vergoeding van € 200.000 bruto ontvangen gespreid in gelijke maandelijkse termijnen. In een ongedateerde brief heeft de bv hem geïnformeerd geen gebruik te maken van de advieswerkzaamheden. De dienstbetrekking is in 2015 niet beëindigd en de man heeft het recht op zijn salaris behouden. De verkoop van de bv heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.

Op 15 maart 2015 heeft de man Nederland metterwoon verlaten en woonde sindsdien in het buitenland. Er bestaat geen belastingverdrag tussen Nederland en zijn woonland. Over de periode 1 januari 2015 tot 31 december 2015 ontving hij een loon van € 90.408. In zijn aangifte IB 2015 gaf hij een loon aan van € 18.835 over de periode van 1 januari tot 15 maart 2015. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag het gehele loon in aanmerking genomen.

In geschil is de vraag of het loon over de periode 15 maart tot 31 december 2015 behoort tot het belastbaar loon zoals omschreven in art. 7.2 lid 2 onderdeel b Wet IB 2001.

Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat de verplichting tot betaling van de vergoeding vanaf 15 maart 2015 geheel en rechtstreeks haar oorzaak vindt in het vervullen van de dienstbetrekking met de bv. Deze bv was een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB 1964. Dit betekende volgens de rechtbank dat de fictie van art. 7.2 lid 7 Wet IB 2001 van toepassing was. De dienstbetrekking werd geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.

De uitspraak van de rechtbank is in lijn met de uitspraak van de Hoge Raad van 20 juni 2014. De Hoge Raad oordeelde in de desbetreffende zaak dat nu tegenover de betaling geen arbeid stond, bepalend was waar de dienstbetrekking werd uitgeoefend waar de betaling aan kon worden toegerekend. In die benadering kan ik mij goed vinden.

We zien deze benadering ook terug ten aanzien van ‘garden leave’ in het OESO commentaar (paragraaf 2.6 van het OESO commentaar op artikel 15 van het OESO-modelverdrag). Indien de werknemer vooruitlopend op het daadwerkelijke ontslag op non-actief wordt gesteld – zogenaamd ‘garden leave’– en het loon gedurende deze periode wordt doorbetaald terwijl hij geen arbeid hoeft te verrichten, komt het heffingsrecht toe aan het land waar de werknemer naar verwachting (‘reasonable to assume’) zou hebben gewerkt. Doorgaans is dit het werkland voordat de werknemer op non-actief werd gesteld.

Wet: art. 7.2 Wet IB 2001
Jurisprudentie: Rb. Noord-Holland 1-08-2019, AWB - 18 _ 3758 (ECLI:NL:RBNHO:2019:6589); HR 20-06-2014, 13/02584 (ECLI:NL:HR:2014:1459)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf