Transitievergoeding voor bijna AOW-gerechtigde arbeidsongeschikte werknemer

01 oktober 2019

Twee verschillende oordelen van de kantonrechters te Utrecht inzake de betaling van een transitievergoeding aan een langdurig arbeidsongeschikte werknemer. In de ene zaak wachtte de kantonrechter het oordeel van de Hoge Raad over slapende dienstverbanden niet af en oordeelde dat de werkgever de transitievergoeding moet betalen aan een bijna AOW-gerechtigde arbeidsongeschikte werknemer. In de andere zaak, waarbij de AOW-leeftijd van de werknemer iets verder weg is, kwam de kantonrechter tot een ander.

De werknemer in de eerste zaak heeft sinds 1973 als werknemer in het beroepsgoederenvervoer gewerkt. Sinds 4 september 2014 is hij arbeidsongeschikt vanwege een versleten rug en knieën (artrose). Hij ontvangt een WGA-uitkering gebaseerd op 100% arbeidsongeschiktheid. Tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst is het niet gekomen. In de loop van 2019 nog zal de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Omdat de werkgever niet bereid is om de werknemer een transitievergoeding te betalen gebaseerd op de dienstjaren vanaf 1973, vordert de werknemer in kort geding veroordeling van de werkgever tot betaling van een transitievergoeding van € 67.000. Bij de berekening van dit bedrag is onder meer rekening gehouden met het bedrag dat het UWV zal compenseren. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever hiermee een te gering belang heeft bij het niet willen opzeggen c.q. niet willen betalen van de transitievergoeding. Niet gebleken is dat de werkgever de transitievergoeding niet kan betalen. Dat het Algemeen werkloosheidsfonds waaruit werkgevers zullen worden gecompenseerd, door de werkgevers zelf gevuld zal moeten worden, legt geen gewicht in de schaal, nu het hier om een bewuste keuze van de wetgever gaat. De conclusie is dat de werkgever de transitievergoeding zal moeten betalen. De werkgever kan zelf bepalen of hij de arbeidsovereenkomst al dan niet wil opzeggen.

In de zaak bij een andere kantonrechter te Utrecht luidde het oordeel anders. Deze werknemer zal pas in de loop van 2020 AOW-gerechtigd worden, dus naar alle waarschijnlijkheid na het arrest van de Hoge Raad inzake slapende dienstverbanden. Deze werknemer had beëindiging van de arbeidsovereenkomst gevorderd onder toezegging van een transitievergoeding. De kantonrechter wijst die vordering af. Weliswaar acht de wetgever slapende dienstverbanden onwenselijk en is de Wet compensatie transitievergoeding (WCT) ingevoerd om werkgevers te stimuleren slapende dienstverbanden te beëindigen. Maar er is niet gekozen voor een verplichting om de arbeidsovereenkomst op te zeggen als de werknemer twee jaar arbeidsongeschikt. De WCT bevat ook niet een verplichting om ook bij langdurige arbeidsongeschiktheid de transitievergoeding zonder meer ‘af te rekenen’. De werknemer had ook nog aangevoerd dat hij een extra financieel belang heeft, omdat de transitievergoeding na 1 januari 2020 aanzienlijk lager zal uitvallen omdat dan onder meer de overgangsregeling voor 50-plussers niet meer van toepassing is. Hij zou dan € 13.953,33 minder transitievergoeding ontvangen. De kantonrechter ziet hierin echter onvoldoende reden om, vooruitlopend op het arrest van de Hoge Raad, een voorlopige voorziening te treffen.

Wet: art. 7:611, 7:673 BW
Jurisprudentie: Rb Midden-Nederland 18-09-2019, 7882295 UV EXPL 19-153 HMvd/40201 (ECLI:NL:RBMNE:2019:4360); Rb Midden-Nederland 18-09-2019, C/16/483738 / KG ZA 19-446 (ECLI:NL:RBMNE:2019:4361)

Zie ook: Loonzaken 2019, nr. 2, Wakker worden uit een slapend dienstverband; A-G: beëindig slapende dienstverbanden (19-09-2019)

Meer over slapende dienstverbanden en de conclusie van de A-G in het komende nummer van Loonzaken (verschijnt 15 oktober 2019)