Band met Nederland bleef bestaan

23 september 2019

Een belastingadviseur meende als buitenlands belastingplichtige te kunnen worden aangemerkt, omdat hij in Thailand als inwoner stond ingeschreven. Uit een woonplaatsonderzoek bleek echter dat hij het merendeel van het jaar in Nederland verbleef en daar ook substantiële omzetten had gerealiseerd.

Een belastingadviseur met de Nederlandse nationaliteit stond tot 22 oktober 2008 in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie ingeschreven. Vanaf 23 oktober 2008 staat hij op verschillende adressen in Thailand ingeschreven. In 2008 is hij een religieus huwelijk aangegaan met zijn Thaise echtgenote met wie hij samen een zoon heeft. De belastingadviseur woont samen met zijn echtgenote, hun zoon en haar dochter uit een eerdere relatie in Thailand. De belastingadviseur heeft de eigendom van zijn woning in Nederland in 2012 aan zijn zoon overdragen waarbij de zoon de koopsom is schuldig gebleven.

De belastingadviseur is vanaf 22 oktober 2008 zowel voor de inkomstenbelasting als voor omzetbelasting niet meer als belastingplichtige in het systeem van de Belastingdienst opgenomen.

In 2013 start de Belastingdienst een intern onderzoek naar de activiteiten van de adviseur in Nederland. Hieruit blijkt dat met zijn beconnummer nog een substantieel aantal IB- en VPB-aangiften over 2010 tot en met 2013 is ingediend en dat dit is gebeurd vanaf computers met een Nederlands IP-adres. Volgens de belastingadviseur is hij desondanks buitenlands belastingplichtig.

In 2014 is ook een woonplaatsonderzoek gestart. Uit het woonplaatsonderzoek kwam naar voren dat de adviseur in de jaren 2009 tot en met 2014 het merendeel van het jaar in Nederland verbleef en dat hij in de jaren 2009 tot en met 2014 substantiële omzetten had gerealiseerd.

In 2016 is een boekenonderzoek bij de belastingadviseur ingesteld. Uit het controlerapport blijkt dat door de adviseur in 2011 op 232 dagen, in 2012 op 216 dagen, in 2013 op 215 dagen en in 2014 op 222 dagen in Nederland pinbetalingen zijn verricht. Daarnaast had hij de volledige beschikking over een woning in Nederland. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de belastingadviseur zijn woonplaats in Nederland had.

In geschil zijn diverse (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting over 2009 tot en met 2014 alsmede de 50% vergrijpboetes.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur voor 2009 en 2010 niet over een nieuw feit beschikt. In juli 2010 is namelijk aan de belastingadviseur op grond van de beconregeling uitstel verleend voor de aangiften van zijn klanten. De inspecteur had dus vóór 31 december 2012 al redelijkerwijs kunnen weten dat hij in 2009 en 2010 in Nederland omzet heeft behaald en dat hij voor die omzet hier belastingplichtig is. De navorderingsaanslagen over die jaren worden dus vernietigd. De belastingadviseur is vanaf 2011 terecht als binnenlands belastingplichtige aangemerkt en kan dus voor zijn wereldinkomen in de heffing worden betrokken. De bewijslast wordt op grond van art. 27e lid 1 AWR omgekeerd. De schattingen van de inspecteur zijn gebaseerd op de ontvangsten van de adviseur op zijn bankrekeningen, zodat er geen reden is om de boetes te verminderen. Ambtshalve worden de boetes wegens het overschrijden van de redelijke termijn nog wel met 15% gematigd. De beroepen van de adviseur zijn deels gegrond.

Het begrip ‘wonen’ is niet in de wet omschreven. Voor de bepaling van de woonplaats is art. 4 AWR van belang. Volgens lid 1 van dit artikel moet de vraag waar iemand woont ‘naar de omstandigheden’ worden beantwoord. Hierbij gaat het vooral om het bestaan van duurzame betrekkingen met Nederland. Doorslaggevend zijn de feitelijke omstandigheden van persoonlijke aard die het levenscentrum van de belastingplichtige bepalen. Dit heeft geresulteerd in uitgebreide casuïstiek over het woonplaatsbegrip. Ook in deze uitspraak is de beoordeling van de woonplaats van belanghebbende van feitelijke aard. Gelet op de sterke banden van belanghebbende met Nederland onderschrijf ik de conclusie van de rechtbank.

Wet: art. 4, 27e AWR
Jurisprudentie: Rb. Den Haag 28-09-2019 (publ. 17-09-2019), nr. AWB 18/35 (ECLI:NL:RBDHA:2019:9729)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf