Maak werken in het buitenland aannemelijk

18 juni 2019

Omdat de in België wonende werkneemster niet aannemelijk kan maken dat zij met haar Nederlandse werkgever is overeengekomen dat zij binnen de normale arbeidstijd werkzaamheden buiten Nederland verricht, is zij in Nederland belasting- en premieplichtig.

Belanghebbende woont in België. Zij was sinds 1 april 1999 in dienst bij een in Nederland gevestigde werkgever. Aan de werkneemster is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.516 en is voor het jaar 2010 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.395. Werkneemster heeft tegen deze aanslagen bezwaar en beroep aangetekend en gesteld dat zij in Nederland niet belastingplichtig en verzekeringsplichtig is.

Het belastingverdrag tussen Nederland en België bepaalt dat lonen verkregen door een inwoner van België belast mogen worden in Nederland voor zover de dienstbetrekking in Nederland wordt uitgeoefend. Vaststaat dat werkneemster haar werk in beginsel in Nederland verricht. Werkneemster stelt dat Nederland geen heffingsrecht heeft over dagen waarop zij buiten Nederland werkte. Werkneemster heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij met de werkgever is overeengekomen dat zij binnen de normale arbeidstijd werkzaamheden buiten Nederland zou verrichten. De werkgever heeft verklaard dat alle werkzaamheden in Nederland plaatsvonden. Daarnaast is niet gebleken dat werkneemster in België belasting heeft betaald over (een deel van) haar salaris.

Ten aanzien van de verzekeringsplicht heeft de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) bepaald dat belanghebbende onafgebroken verzekerd is geweest in Nederland. Werkneemster heeft de besluiten van de SVB niet aangevochten.
Hof Den Bosch is van oordeel dat werkneemster belasting- en premieplichtig is in Nederland. Het hof beantwoordt voorts vragen over procesvertegenwoordiging van ambtenaren en mandatering, openbaarheid van de zitting, inzage- en hoorrecht, het verbeuren van een dwangsom, vergoeding van immateriële schade en werkelijke proceskosten.

De Hoge Raad had op 8 maart 2019 ten aanzien van werkneemster arrest gewezen terwijl nog niet op door de gemachtigde van belanghebbende ingediende wrakingsverzoeken was beslist. Vanwege deze tekortkoming is het arrest van 8 maart 2019 vervallen verklaard. Bij beslissing van 24 mei 2019 zijn de verzoeken tot wraking afgewezen. In het arrest van 7 juni 2019 verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van belanghebbende (alsnog) met toepassing van art. 81 RO ongegrond.

Op basis van de feiten is de beslissing van het hof geen verrassing: belasting- en premieplicht in Nederland. De uitspraak is een feitelijke beslissing en geeft geen nieuwe inzichten over toepassing van het recht. De Hoge Raad doet het beroep daarom af met een beroep op artikel 81 Wet RO. Voor de praktijk is van belang dat de belastingplichtige bewijs moet leveren dat geen sprake is van een Nederlandse bron.

Jurisprudentie: HR 7-6-2019, nr. 18/02980 (ECLI:NL:HR:2019:898), HR 29-3-2019, nr. 18/02980 (ECLI:NL:HR:2019:450), HR 8-3-2019, nr. 18/02980 (ECLI:NL:HR:2019:324), Hof Den Bosch 15-6-2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2635); HR 24-5-2019, 19/01491 (ECLI:NL:HR:2019:727)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf