Niet nakomen afspraak is voor risico inhoudingsplichtige

04 juni 2019

Omdat een docente niet expliciet akkoord is gegaan met de inhouding van loonheffing op haar uurvergoeding, dient de Hogeschool alsnog het bedrag aan ingehouden loonheffing uit te keren. Dat de Hogeschool door het niet inhouden van loonheffing mogelijk een naheffing met boete krijgt, komt voor risico van de Hogeschool.

Belanghebbende heeft sinds 2010 als gastdocent werkzaamheden verricht voor de Stichting Hogeschool Rotterdam op grond van een overeenkomst van opdracht. Zij beschikte over een VAR-verklaring. Op 10 april 2016 bracht zij aan de Hogeschool een offerte uit voor onderwijsactiviteiten in de 4e onderwijsperiode van het schooljaar 2015/2016 voor € 55 per uur exclusief btw. In totaal ging het om € 5.830 te betalen in twee termijnen. De Hogeschool ging hiermee akkoord. De colleges die belanghebbende op grond van de overeenkomst ging geven, startten in mei 2016. Belanghebbende heeft in mei 2016 een factuur aan de Hogeschool gestuurd van € 2.750. De Hogeschool hield loonheffing in en betaalde belanghebbende € 1.351,35.
Belanghebbende vond dat de Hogeschool geen loonheffing had mogen inhouden op de factuur en vorderde via een civielrechtelijke procedure betaling van het volledige factuurbedrag. De Hogeschool stelde dat zij wettelijk verplicht was loonheffing in te houden, omdat zij in verband met de inwerkingtreding van de Wet DBA per 1 mei 2016 het risico liep dat de Belastingdienst haar als inhoudingsplichtige aanmerkte. Uit een eerder boekenonderzoek over 2010-2014 (dat eind 2015 was afgerond) bleek volgens de Hogeschool duidelijk dat de Belastingdienst zich op het standpunt stelde dat belanghebbende een dienstverband in fiscale zin had en als de Hogeschool geen loonheffing zou inhouden, liep zij het risico te worden aangemerkt als ‘kwaadwillend’ en kon zij een boete krijgen van 50%.
De civiele kamer van Hof Den Haag concludeerde echter dat uit de correspondentie tussen de Hogeschool en belanghebbende niet bleek dat belanghebbende akkoord was gegaan met de inhouding van de loonheffing. De afspraak hield volgens het hof in dat de Hogeschool haar € 55 per uur zou betalen, zonder deze inhoudingen. Het hof verwierp de stelling van de Hogeschool met betrekking tot haar verplichting om loonheffing in te houden op grond van de Wet DBA en het risico van het stempel ‘kwaadwillend’. Dat zij wellicht een naheffingsaanslag en een boete van de Belastingdienst zou krijgen, kwam volgens het hof voor risico van de Hogeschool omdat de Hogeschool al sinds een vorig boekenonderzoek eind 2015 wist dat de Belastingdienst de werkzaamheden van belanghebbende voor de Hogeschool aanmerkte als een dienstverband in fiscale zin. Naar aanleiding hiervan wist de Hogeschool dat zij samenwerkte met tal van docenten als zzp’ers, waarvoor zij in de ogen van de Belastingdienst inhoudingsplichtig was. Zij was vervolgens aan de slag gegaan om hieraan paal en perk te stellen, maar zij had met belanghebbende bij het sluiten van de overeenkomst en voorafgaand aan de uitvoering daarvan geen afspraken gemaakt over het inhouden van loonheffing. De civiele rechter besliste dat de Hogeschool belanghebbende conform de overeenkomst moest uitbetalen.

Een opvallende uitspraak van Hof Den Haag inzake de VAR verklaring/Wet DBA. Opvallend omdat belanghebbende een civiele procedure heeft gestart. De civiele rechter concludeert dat de afspraak tussen partijen inhield dat de Hogeschool belanghebbende € 55 per uur zou betalen zonder inhoudingen.
De civiele rechter doet geen uitspraak over de fiscale kwalificatie. Op basis van het eerdere boekenonderzoek lijkt de Belastingdienst zich op het standpunt te stellen dat belanghebbende een dienstverband in fiscale zin had. Dit zou betekenen dat belanghebbende € 55 per uur netto heeft genoten. Als de Hogeschool inhoudingsplichtige is dient dit bedrag gebruteerd te worden. Een onverwachte en onaangename kostenpost voor de Hogeschool.

Tot 1 mei 2016 beschikte belanghebbende over een VAR verklaring. De VAR verklaring was voor de opdrachtgever een vrijwaring op het gebied van loonheffingen. Onder de Wet DBA die sinds 1 mei 2016 van kracht is, bestaat de VAR niet meer. Dat betekent dat voor de opdrachtgever geen vrijwaring meer bestaat voor de loonheffingen. Onder de Wet DBA is het leidende principe of een arbeidsverhouding al dan niet tot een (fictieve) dienstbetrekking leidt. In de plaats van de (vrijwel onvoorwaardelijke) vrijwaring van de VAR komt een voorwaardelijke vrijwaring voor de opdrachtgever. Deze uitspraak bevestigt dat dit tot discussie kan leiden tussen opdrachtgever en opdrachtnemer.
Ook het kabinet heeft geconcludeerd dat de Wet DBA niet de duidelijkheid en rust gebracht heeft die hij moest brengen. Het kabinet heeft daarom besloten de wet te vervangen. In de Tweede Kamer zijn inmiddels veel vragen gesteld over dit onderwerp. Nu de Wet arbeidsmarkt in balans (hierna: WAB) op 28 mei jl. is aangenomen door de Eerste Kamer, zal het kabinet op korte termijn met nieuwe zzp-wetgeving moeten komen. De verwachting is dat minister Koolmees voor de zomer meer duidelijkheid zal geven over de invulling van de nieuwe zzp-wetgeving die de huidige wet DBA zal gaan vervangen. Hopelijk gaat deze wet de rust en duidelijkheid geven waar de praktijk behoefte aan heeft.

Jurisprudentie: Hof Den Haag 21-5-2019, nr. 200.236.490/01 (ECLI:NL:GHDHA:2019:1140)

Loonzaken/Edith de Bourgraaf