Ondergeschikte vennoot telt als werknemer

27 mei 2019

Als verschillende personen een VOF aangaan, waarbij maar één van hen bevoegd is om namens de vennootschap te handelen, dan is volgens Rechtbank Noord-Nederland sprake van een schijnconstructie. De Belastingdienst mag dan de ondergeschikte vennoten aanmerken als werknemers.

Een bezorger van post en pakketten gaat samen met vijftien anderen een VOF aan. Maar de inspecteur ziet in de VOF een schijnconstructie. Hij stelt dat de bezorger fiscaal gezien als een werknemer kwalificeert. De man begint een beroepsprocedure. De rechtbank stelt dat voor de aanwezigheid van een VOF of maatschap is vereist dat de vennoten samenwerken op min of meer gelijkwaardige basis. Aan de hand van de vennootschapsovereenkomst merkt de rechtbank dat binnen de VOF één vennoot:

  • als enige bevoegd is om voor de VOF te handelen en te tekenen, gelden uit te geven en te ontvangen en de VOF aan derden te verbinden en omgekeerd;

  • vervoersovereenkomsten sluit met afnemers. De VOF doet dit niet zelf. Bovendien verklaren de overige vennoten inclusief de bezorger dat zij geen inzicht hebben in de prijsonderhandelingen;

  • toezicht houdt op de andere vennoten;

  • het maandelijkse voorschot op het winstaandeel bepaalt;

  • als enige toestemming kan geven voor nieuwe vennoten om toe te treden en bevoegd is om vennoten in en uit te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

  • degene is bij wie de overige vennoten bij ziekte zich moeten melden. Vervolgens zorgt deze vennoot voor vervanging van de zieke vennoot.

Verder treden de overige vennoten naar buiten op als chauffeurs van een postbedrijf in plaats van als vennoten van de VOF. De rechtbank constateert dat de bezorger in een ondergeschikte positie staat ten opzichte van de overheersende vennoot. Daarom kwalificeert hij niet als vennoot voor de inkomstenbelasting. De fiscus heeft het voordeel dat de bezorger ontvangt van de VOF terecht aangemerkt als loon uit dienstbetrekking.

Bron: Rb. Noord-Nederland 07-02-2019, nr. AWB 17/4193 (gepubl. 21-05-2019), (ECLI:NL:RBNNE:2019:395)
Wet: art. 7A:1655 BW, art. 3.4 en 3.81 Wet IB 2001