Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar boetes

17 mei 2018

Kan de inspecteur de onjuistheid van de stelling van het tijdig indienen van het bezwaarschrift niet bewijzen? Dan moet niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen boetebeschikkingen achterwege blijven.

Een bv heeft voor het tijdvak oktober 2015 geen aangifte loonheffingen ingediend. De Belastingdienst heeft daarom een ambtshalve aanslag opgelegd van € 4.250. Ook kreeg de bv een aangifteverzuimboete van € 65 en een boete betaalverzuim van € 127. Op 16 juni 2016 verzoekt de bv de inspecteur uitspraak te doen op een ingediend bezwaarschrift van 3 januari 2016. Op de vraag om een kopie van dit bezwaarschrift is geen reactie gekomen. De inspecteur heeft daarop het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. In geschil bij Hof Den Bosch is of de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tijdens het hoger beroep komt de bv met een brief van 10 februari 2016 waarin zij aangeeft dat er al op 3 januari 2016 bezwaar is gemaakt. Een afschrift van het bezwaarschrift van 3 januari 2016 wordt ook door de bv overgelegd. Ook overlegt de bv de brief van 22 februari 2016 van de ontvanger waarin uitstel van betaling wordt verleend voor de aanslag en boetes. Het hof oordeelt dat de bv moet bewijzen dat zij op 3 januari 2016 het bezwaarschrift heeft ingediend. Volgens het hof heeft de bv niet aangetoond tijdig bezwaar te hebben gemaakt en daarvoor ook geen geldige redenen voor gegeven. Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag is volgens het hof terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor het bezwaar tegen de boetes ligt dat anders. Voor de boetebeschikkingen hoeft de bv alleen maar te stellen dat zij het bezwaarschrift tijdig heeft ingediend. Slechts als de inspecteur de onjuistheid van deze stelling kan aantonen, kan hij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. De inspecteur kan niet aantonen dat het bezwaar te laat is ingediend. De inspecteur moet daarom de bezwaarschriften tegen de boetebeschikkingen weer in behandeling nemen.

Bron: Hof Den Bosch 21-02-2019, nr. 17/0082 (gepubl. 15-05-2019) (ECLI:NL:GHSHE:2019:639)
Wet: art. 10 en 67b AWR