Vakantiewoning is geen eigen woning voor expat

14 mei 2019

Een uitgezonden werkneemster kan onder voorwaarden een woning in Nederland aanmerken als een eigen woning om zo de eigenwoningrenteaftrek te blijven claimen. Daarvoor is echter wel vereist dat die woning de centrale levensplaats was.

Een werkneemster van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bezit sinds 1998 een woning. Op het adres van een andere woning is zij met haar echtgenoot ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BPR) tot 4 november 1999. Op die datum hebben zij zich uit laten schrijven uit het BPR, omdat de werkneemster naar het buitenland is uitgezonden. Haar echtgenoot ging mee naar de haar ter beschikking staande woonruimte in het buitenland. Haar vakanties bracht zij in de woning door. Zij ontving daar familie en vrienden en vierde daar verjaardagen. Bovendien was zij op het adres van de woning ingeschreven bij de tandarts. In haar aangifte inkomstenbelasting over 2013 en 2014 merkte zij de woning aan als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001. De inspecteur accepteerde de woning niet als eigen woning, maar begreep de waarde van de woning in de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen. De werkneemster had over de aanslagen inkomstenbelasting 2010 tot en met 2012 al geprocedeerd. Met betrekking tot de vraag of de woning als eigen woning kwalificeert, oordeelde Hof Den Bosch dat uitsluitend woningen die als centrale levensplaats dienen, als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001 kunnen kwalificeren. Daarbij is niet relevant of in het kader van verdragstoepassing een langer verblijf dan 183 dagen in een verdragsluitende staat niet meer als tijdelijk kan worden beschouwd, zoals de werkneemster stelde. Waar iemand zijn centrale levensplaats heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de belastingplichtige bevindt. De werkneemster heeft toen niet aannemelijk kunnen maken dat zij in 2012 haar centrale levensplaats in Nederland had. Het hof oordeelt dat de feitelijke situatie niet wezenlijk anders is ten opzichte van de situatie in de jaren 2010 tot en met 2012. Het hoger beroep is ongegrond.

Het is de werkneemster in deze zaak niet gelukt aannemelijk te maken dat de woning haar centrale levensplaats was. Dit komt waarschijnlijk omdat zij niet alle vrije dagen (bijvoorbeeld in het weekend) in Nederland kon doorbrengen. Een (niet helemaal, omdat er geen sprake was van grensoverschrijdend werken) vergelijkbare situatie deed zich voor in de uitspraak van Hof Den Haag van 12 juni 2018. In die casus had de belastingplichtige een huurhuis in een bepaalde plaats en een koophuis in een recreatiepark. In 2014 is hij 170 dagen/nachten in de koopwoning verbleven. Familie, vrienden, kennissen en buren van belastingplichtige hebben schriftelijke verklaard dat hij en zijn echtgenote alle weekenden, vrije dagen en feestdagen doorbrachten in de koopwoning. Zij ontvingen daar ook hun visite en logees. De huurwoning, op welk adres zij ook waren ingeschreven, gebruikten zij alleen voor verblijf wegens hun werk.
Deze onderhavige uitspraak van het hof ook ging om de vraag of er sprake was van een kenbare fout.

Wet: art. 3.111 Wet IB 2001
Jurisprudentie: Hof Den Bosch 15-02-2019, nr. 18/00007 en 18/00008 (ECLI:NL:GHSHE:2019:551); Rb. Zeeland-West-Brabant 17-11-2017, nr. BRE 16/7559 en 16/7711; Hof Den Bosch 18-05-2018, nr. 17/00220 tot en met 17/00222 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2195); Rb. Zeeland-West-Brabant 24-02-2017 nr. BRE – 15_8376 (ECLI:NL:RBZWB:2017:1162); Hof Den Haag 12-06-2018, nr. 17/00894 (ECLI:NL:GHDHA:2018:1416)

Loonzaken/Jacqueline Nietveld