Pensioenaanspraak niet prijsgegeven

12 februari 2019

Enkel stilzitten van een pensioengerechtigde is onvoldoende voor prijsgeven. Wel wordt pensioen dat vorderbaar en inbaar is, maar niet is uitgekeerd, geacht te zijn genoten.

Een dga had op grond van de pensioenregeling met zijn bv recht op een jaarlijkse pensioenuitkering van € 57.327 per jaar vanaf 1 mei 2013. In 2013 had de bv echter geen pensioen uitgekeerd en de dga had in zijn aangifte inkomstenbelasting ook niets vermeld over het pensioen van zijn bv. De inspecteur had voor het jaar 2013 een tijdsevenredig deel van het pensioen bij de dga in aanmerking genomen.

In geschil bij Hof Den Haag was of het tijdsevenredige deel van het pensioen terecht bij de dga in aanmerking was genomen. Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Volgens het hof heeft de dga de aanspraak op pensioen in 2013 prijsgegeven, zodat de gehele aanspraak in het jaar 2013 was belast. Voor prijsgeven was volgens het hof voldoende dat de dga geen enkele actie had ondernomen, ook bij stilzitten kan sprake zijn van prijsgeven. Verder oordeelde het hof dat de gehele pensioenaanspraak in 2013 vorderbaar en inbaar was.

In cassatie is bij de Hoge Raad in geschil of de dga zijn pensioenaanspraak heeft prijsgegeven. In tegenstelling tot het hof oordeelt de Hoge Raad dat enkel stilzitten van de dga onvoldoende is om te komen tot de conclusie dat de dga zijn recht op pensioen heeft prijsgegeven. Wel oordeelt de Hoge Raad dat een evenredig deel van het pensioen in 2013 vorderbaar en inbaar is en daardoor wordt het pensioen geacht in fiscale zin te zijn genoten. De inspecteur heeft terecht een gedeelte van het niet uitgekeerde pensioen tot het inkomen van de dga gerekend.

Wet: art. 13a en 19b Wet LB 1964 ; art. 3.146 Wet IB 2001
Jurisprudentie: HR 8-02-2019, 17/03827 (ECLI:NL:HR:2019:189)