Ook derdelanders kunnen beroep doen op Europese Verordening

05 februari 2019

Volgens het EU Hof van Justitie 24 januari 2019 vallen derdelanders onder de sociale zekerheidsverordening van de Europese Unie vallen. De advocaat-generaal bij het EU Hof was aanvankelijk nog een andere mening toegedaan.

De uitspraak van het Europese hof is gedaan van de in Nederland gevestigde werkgever Holiday on Ice. Holiday on Ice organiseert in de wintermaanden ijsshows in Nederland en andere lidstaten van de EU. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van werknemers met verschillende nationaliteiten, EU-onderdanen, maar ook derdelanders (onder andere Russen en Oekraïners) die buiten de EU wonen. De werknemers komen een aantal weken in Nederland werken en doen dit vervolgens ook in andere lidstaten van de Europese Unie.

Op grond van aanwijsregels van de sociale zekerheidsverordening is in deze situatie, bij werken in verschillende lidstaten, de sociale verzekeringswetgeving van het vestigingsland van de werkgever – in dit geval Nederland – van toepassing. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) geeft hiervoor A1-verklaringen af. De SVB was echter gestopt met het afgeven van die verklaring voor derdelanders, omdat de SVB twijfelde of de verordening wel op hen van toepassing is. Holiday on Ice is het hier niet mee eens en de zaak wordt uiteindelijk voorgelegd aan de Centrale Raad van Beroep, dat aan het Europese Hof de volgende prejudiciële vraag voorlegt: “Moet artikel 1 van verordening nr. 1231/2010 aldus worden uitgelegd dat werknemers met de nationaliteit van een derde land die buiten de Unie wonen, maar tijdelijk in verschillende lidstaten werken in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever, zich kunnen beroepen op (titel II van) verordening nr. 883/2004 en verordening nr. 987/2009?”

Advocaat-generaal Wahl had in deze zaak geconcludeerd dat derdelanders zich niet op de verordening kunnen beroepen. Hij voert hiervoor aan, dat ze geen verblijfsvergunning op basis van het Unierecht hebben. Het Europese Hof van Justitie denkt hier echter anders over. Wanneer derdelanders legaal verblijven (zich legaal ophouden) en legaal werken op het grondgebied van de lidstaten van de EU, kunnen zij een beroep doen op de aanwijsregels van de socialezekerheidsverordening. Bij werkzaamheden in verschillende lidstaten van de EU kan dus aangesloten worden bij de vestigingsplaats van de werkgever, in casu Nederland. Dit vloeit volgens het Hof ten eerste voort uit de EU-verordening (en bijbehorende toelichting) waarmee de sociale zekerheidsverordening is uitgebreid tot derdelanders en, ten tweede, de EU-richtlijn inzake één enkele aanvraagprocedure voor werknemers uit derde landen.

Werkgeversvereniging AWVN wijst in haar commentaar op het arrest van het Europese Hof erop dat in deze situatie in Nederland in ieder geval geen sprake is van illegaal werken of illegaal verblijf. Op grond van het besluit incidentele arbeid is er geen tewerkstellingsvergunning nodig op basis van de Wet Arbeid Vreemdelingen. Iemand die werkzaam is als artiest mag zonder tewerkstellingsvergunning binnen een periode van dertien weken zes weken aaneengesloten werken in Nederland. Een verblijfsvergunning is niet nodig, omdat de werknemers in de vrije termijn verblijven. Dit is een periode van korter dan drie maanden. Wel moet de werknemer mogelijk over een visum moet beschikken.

Volgens AWVN is het arrest van het Hof van Justitie heel duidelijk. Bij legaal verblijf en migreren tussen lidstaten kan een aanwijsregel van de sociale zekerheidsverordening worden toegepast, waardoor een werknemer in slechts één lidstaat sociaal verzekerd is. De werkgever is daardoor niet genoodzaakt steeds weer in een andere lidstaat een salarisadministratie te voeren om de sociale verzekeringspremies in te laten houden en afdragen.

Jurisprudentie: EU HvJ 24-01-2019, C-477/17 (ECLI:EU:C:2019:60); Conclusie AG 27-09-2018 C-477/17 (ECLI:EU:C:2018:783)
Bron: AWVN 28-01-2019